de Sutter Jules

jules de sutterIn tegenstelling tot vele Latemse kunstschilders groeide Jules de Sutter (1895-1970) op in een arm Gents arbeidersgezin. In 1902 verhuisde zijn familie naar Lochristi. Daar groeide hij op te midden van het boerenleven. Als leerjongen bij de Gentse fotograaf Isidoor Mast maakte hij op jeugdige leeftijd kennis met Sint-Martens-Latem, waar de fotograaf een buitenverblijf had.
Dankzij de financiële tussenkomt van Mast kon de Sutter de avondlessen aan de Gentse Academie voor Schone Kunsten volgen.
In de tweede helft van de jaren twintig werd zijn werk regelmatig afgebeeld in het toonaangevend kunsttijdschrift ‘Sélection’. Uiteindelijk zou de Sutter onder contract komen bij de Brusselse galerie ‘Le Centaure’. Tot de crisisjaren zag hij zich op deze manier financieel enigszins ondersteund.
Met Hubert Malfait kwam hij in 1928 ook bij ‘Le Centaure’ en de ‘Galerie Georges Giroux’, maar het was vooral in het, Gentse dat hij succes kende.
Tot 1929 verbleef de Sutter in Waregem, in het Rozenhuis van de familie de Sutter, waar eerder ook Modest Huys en Gustave van de Woestyne verbleven. In 1929 kwam hij naar Astene. jules de sutter hooimijt

Vanaf 1933 was de Sutter van dichtbij betrokken bij de oprichting en de werking van de Gentse galerie ‘Ars’. Die galerie stond borg voor een goede verkoop, en bracht hem in het licht van verzamelaars. In 1937 en 1938 was hij er vaste gast. Niettegenstaande zijn steun aan de katholieke zaal ‘Ars’, was hij tegelijk lid van de ‘Socialistische Studiekring’ van de stad.

Deze kring zou in 1934 een individuele tentoonstelling van zijn werk organiseren in de ‘Feestzaal Vooruit’.
Pas in 1939 vestigt hij zich in Sint-Martens-Latem . Tot zijn dood bleef hij Latemnaar en vormde hij met Hubert Malfait en Albert Saverys de post-expressionistische groep.
Officiële erkenning kwam er pas in 1944 toen hij docent werd aan de Gentse academie. Anderzijds verbood de Duitse bezetter zijn individuele tentoonstelling in de ‘Zaal Ars’.Na de oorlog kende de Sutter echter nog opgemerkte tentoonstellingen. Op de 26ste biënnale van Venetië in 1952 werd hij zelfs gelauwerd.

'Stoof van Hugo Van den Abeele'

‘Stoof van Hugo Van den Abeele’

Jules de Sutter bleef in beeld op de hedendaagse artistieke scène. Een grote tentoonstelling werd in februari 1963 georganiseerd door de Mechelse Galerij Nova. Karel Geirlandt, de toenmalige kunstpaus, leidde hem toen in bij de vernissage.
Bij zijn debuut overheerste de invloed van het fauvisme in zijn werk. Meer nog dan in het impressionisme vond hij in het fauvisme het krachtdadige koloriet.
Het landleven, dat hij reeds op jonge leeftijd kende, zou vanaf 1920 zijn verder oeuvre overheersen.
De Sutter was geboeid door het werk van Gustave De Smet en Frits Van den Berghe. Hun drang naar constructie en synthese nam hij over. Anderzijds was hij coloristisch hun tegenpool. Onder invloed van volkskundige prenten hadden zijn kleurcontrasten niets harmonisch, maar staken schril tegen elkaar af. Ook zijn stijl was veelal primitief en naïef. In het beeldvlak liepen droom en realiteit meestal door elkaar. Belangrijk zijn ook de scherpe contourlijnen die De Sutter toelieten een constructieve opbouw aan zijn schilderijen te geven. Na het sombere coloriet van de jaren 1930, sloeg hij na de Tweede Wereldoorlog een nieuwe weg in. De directe omgeving van Sint-Martens-Latem gaf hem nieuwe moed. Hij ontdekte weer de speelsheid van kleur. In helle, soms schrille gelen en groenen bracht hij een geïdealiseerd beeld van het landelijke leven in en om het dorp.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s