Categorie archief: Kunst

Lavier, Bertrand

Bertrand Lavier werd 1949 in Chatillon-sur-Seine in Frankrijk geboren.
Hij woont en werkt nu in Parijs. Tuin- en landschapsarchitect van opleiding maar profileerde zich snel als installatiekunstenaar.

In 2012 had Lavier de eer om een grote overzichtstentoonstelling te houden in het Centre Georges Pompidou in Parijs. Hij heeft ook individuele tentoonstellingen gehad op locaties als onder meer het Musée Hermes in Rusland en het Museum voor Moderne Kunst in Saint- Etienne, Frankrijk.

Bertrand Lavier staat bekend om zijn bijzondere aanpak van uitbeelden, beeldhouwen en schilderen. Hij creërt ook werken die een weergave zijn van abstracte theorieën, evenals van de verbinding tussen het dagelijks leven en de kunst.
Lavier staat ook bekend om het maken van ‘demonstraties’ voor zijn werk.
Dit concept wil meestal de beelden die in de menselijke geest alledaags zijn, uitdagen, zowel om concrete als om abstracte redenen.

Het oeuvre van Bertrand Lavier is zeer bewust bedoeld om de vraag te stellen wat de hersenen als intelligent of artistiek beschouwen. Hij wil de kijker tot nadenken aanzetten omtrent creatieve expressie. Zo zijn enkele van zijn werken in het oog springende luxe meubelen met klassieke huishoudelijke apparaten.

(in Centre Pompidou)

Bertrand Lavier beschildert objecten. Belangrijke voorbeelden zijn een piano (Gabriel Gaveau, 1981), een koelkast (Westinghouse, 1981) of een auto (Mercedes 190, 1990).
De werkelijkheid wordt afgebeeld door het af te beelden voorwerp te nemen en het in dezelfde kleur te beschilderen, met een expressionistische toets, door de kunstenaar zelf zijn touche Van Gogh genoemd.
De objecten die Lavier met zijn gepersonaliseerde toets bedekt, krijgen daardoor niet alleen het statuut van een kunstwerk; tegelijk wordt het object gelijkgesteld aan zijn afbeelding.
De afbeelding van de werkelijkheid kan alleen ontstaan door het origineel te bedekken, door het aan het oog te onttrekken en dus uiteindelijk te laten verdwijnen. Het is een eenvoudige handeling, die onmiddellijk een hele reeks vragen oproept, over de relatie tussen de werkelijkheid en haar afbeelding, het verschil tussen afbeelding en voorstelling, representatie en presentatie. maar vooral over de rol van de kunstenaar bij deze magische transformatie.

In de tweede helft van de jaren tachtig trachtte Lavier ook de beeldhouwkunst te ‘deconstrueren’. Zijn onderzoek beperkte zich tot het eeuwige probleem van de relatie tussen de sculptuur en haar sokkel, een probleem dat sinds Rodin en Brancusi door talrijke beeldhouwers, van de minimalisten tot Didier Vermeiren, op een geraffineerde en intelligente manier is benaderd.
 Laviers Brandt/Fichet-Bauche (1985), een koelkast van het merk Brandt op een brandkast van het merk Fichet-Bauche, of zijn Ikea/Zanussi (1986), een kleerkast op een diepvriezer.
Met het tentoonstellen van zijn verongelukte Alfa Romeo maakt hij een synthese tussen Warhols Accidents en de compressies van César.


Hij maakt een parodie op de antropologische musea, waarin hij een slot uit het grootwarenhuis La Samaritaine hetzelfde statuut geeft als een slot van een Dogon huis uit Mali. 
Moraal van het verhaal: het enige verschil tussen ordinaire gebruiksvoorwerpen en waardevolle museumstukken is dat de eerste gerepareerd en de tweede gerestaureerd worden.
Intrigerend zijn een reeks spiegels die hij begin jaren negentig met kleurloze acrylverf in grove toetsen (be)schilderde. Deze spiegels weerkaatsen nog wel het licht, maar niet het beeld.

Enkele decennia terug is een reeks op doek gereproduceerde foto’s van met krijt beschilderde vitrines, met straatnamen als titel. Zo is er Avenue Montaigne, Rue Louise Weiss, Rue Réamur en Rue du Faubourg Saint-Honoré (2000)  niet toevallig straten met een belangrijk aantal kunstgaleries. Deze ‘gestuele’ schilderkunst van de ruitenwasser’, die formele gelijkenissen vertoont met de spontane’ drippings van Jackson Pollock, heeft geen artistieke pretentie. De brede strepen krijt hebben als enige functie de vitrine in voorbereiding aan het oog van de voorbijganger te onttrekken.
Lavier geeft deze ‘schilderkunstige geste’ een artistiek statuut, waarbij de toeschouwer niet onmiddellijk beseft wat hij ziet; hij weet ook niet aan welke zijde van de vitrine hij zich bevindt, de zijde van de kunst of die van de werkelijkheid, de zijde van de maker of die van de beschouwer.

Arroyo, Eduardo

fotorecht Franceculture2

Eduardo Arroyo werd in 1937 in Madrid geboren en overleed er in 2018.

Zijn carrière is gevormd door zijn vroegere jaren als journalist en door op te groeien in het Spanje van generaal Franco.
 In 1958, 20 jaar oud, markeert hij zijn verzet tegen het Franco-regime, hij ontvlucht Spanje en gaat naar Parijs, waar hij tot 1982 woont.
Daar, te midden van avant-gardistische experimenten met abstractie, begon hij te schilderen.
De jonge man werd meteen aangetrokken door de kracht van het beeld.

Als geëngageerd kunstenaar en criticus, heeft hij de neiging de kunst te demystificeren met een picturale “speech” die hem verandert in een inspirerende persoonlijkheid van de verhalende figuratie, samen met kunstenaars als Valerio Adami, Erró, Peter Klasen en Gérard Schlosser.

De kunstenaar beschouwt schilderen met vaardigheid als een verhalenverteller. Hij ontleent woorden en beelden aan verschillende bronnen, waaronder advertenties en grafische ontwerpen.
Eduardo Arroyo is vertegenwoordigd in de collecties van onder meer The Museum of Modern Art in New York, het Hirshhorn Museum in Washington D.C. en het Bilbao Fine Arts Museum.

Van Rossem, Joe

Jozef, alias Joe Van Rossem werd geboren in 1940 in het Oost-Vlaamse Heusden.
Hij was schilder, tekenaar en assemblagekunstenaar.


Van Rossem studeerde aan de Academie van Gent (1955-1962Zijn voorkeur ging zowel uit naar figuren en portretten als landschappen, stillevens en composities.
Hij vestigde zich eerst in Sint-Martens-Latem, later in Merendree om uiteindelijk zijn stek te vinden in Hansbeke.
Samen met Fons Roggeman, Dees De Bruyne, Henri Vandermoere, Martin Wallaert, Miel en Frans De Cauter behoorde Joe Van Rossem tot de volgelingen van de laatste groep van de ‘Latemse Kunstenaars’.
De kunstrecensenten schreven toen over hem: “zijn werk is zwanger van symboliek” en “al zijn werken tonen een sterke persoonlijkheid en een zodanige zelfstandigheid dat hij moeilijk onder een bepaalde stijl te situeren is.”
Hij benadert het meest het expressionisme, met zijn vervorming en zijn ingehouden kracht.
Zijn talrijke zelfportretten die soms beangstigend en dramatisch lijken, verraden een introverte natuur, steeds op zoek naar zichzelf.

Joe Van Rossem was hedendaags en klassiek. Zijn totale oeuvre straalt de authenticiteit uit van iemand die kunst beoefende vanuit een innerlijke ontroering maar die daarbij nooit uit het oog verloor dat inhoud rijker wordt naarmate de vorm de volmaakte vertaling is van een onzegbare emotie.
Hij verwoordde op fanatieke wijze zijn conceptuele visie door gebruik te maken van de modernste digitale mogelijkheden, wat uiteindelijk resulteerde in zijn schitterende zijden kleurdoeken.

Verschillende werken van Joe Van Rossem zijn opgenomen in privé collecties en musea in België (museum van Gent en Deinze, Brussel, gemeentehuis van Waregem en Nevele) maar zijn ook te vinden in Nederland, Frankrijk, Luxemburg, Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Spanje, Italië, Cyprus, Japan, Australië en de Verenigde Staten.
Hij werd ook opgenomen in het boek “100 zelfportretten” van uitgeverij Arcade en in “Twee eeuwen Signaturen van Belgische kunstenaars” van Art in Belgium.
Joe Van Rossem was een ‘poëtische koorddanser’ die talloze doeken en geschriften achterliet en die veel te vroeg overleed op 22 november 2004 te Hansbeke/Nevele…

De Smet, Gust. (1877 – 1943)

Kunstschilder Gustave de Smet was een van de centrale figuren van het Vlaams expressionisme. Andere Vlaams expressionisten in Latem en Deurle waren onder meer Constant Permeke en Frits van de Berghe. Zij stonden in hun schilderstijl dicht bij het werk van de Duitse expressionisten.

In het oeuvre van De Smet vindt in de periode tussen 1914 en 1922 een belangrijke stijlontwikkeling plaats. Aanvankelijk schilderde De Smet net als de meeste kunstenaars uit zijn omgeving, onder wie zijn broer Léon, in de stijl van het impressionisme. In 1914 vertrekt hij noodgedwongen naar Nederland, vanwege het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.
In Nederland ziet hij het werk van de Franse kubist Henri Le Fauconnier en van de Hollandse kunstschilder Jan Sluijters. Hij leert het werk van Duitse kunstschilders als Paula Modersohn-Becker, Franz Marc en August Macke kennen. In de vereenvoudigde vormtaal en het heldere kleurgebruik, dat hij in het werk van deze kunstenaars ziet, herkent hij onmiddellijk zijn eerdere zoektocht naar eenvoud en synthese. Hij neemt afstand van het impressionisme.
De Smet past vanaf dat moment de expressionistische principes toe in zijn eigen werk, maar in een somberder kleurenpalet dan dat van de meeste andere expressionisten.  

In Nederland maakte De Smet schilderijen met nerveuze lijnen en dynamische vormen. Wanneer hij weer terugkeert naar België in 1922 begint de kunstenaar zich een meer verfijnde penseelhantering eigen te maken. Zijn composities worden evenwichtiger. Dit hoordeblijkbaar bij het artistieke klimaat van na de Eerste Wereldoorlog. Er heerste een verlangen naar orde en stabiliteit, ook wel genoemd ‘retour à l’ordre’.

De Verwachting (coll. Linda en Guy Pieters)

Gust De Smet gaat schilderijen maken met een meer monumentaal karakter en de figuren in zijn schilderijen worden fel  geschematiseerd. Ze doen een beetje denken aan het werk van Fernand Léger, de Franse kunstschilder, die in een persoonlijke variant van het kubisme schilderde.

Vanaf halverwege de jaren twintig schildert De Smet evenwichtige, geabstraheerde composities, die als ‘decoratief’ worden bestempeld. Hij schildert vooral thema’s van het leven in de stad. In 1929 gaat hij in Deurle wonen aan de Leie.

Naakt met Goudvissen (coll. Linda en Guy Pieters)

Het thema van zijn schilderijen wordt vanaf dat moment het eenvoudige dorpsleven en het leven op het platteland. 

Naast schilderijen vervaardigde De Smet ook linoleumsneden, voor de expressionisten een belangrijke techniek. Andere expressionistische kunstenaars gaven vaak de voorkeur aan houtsneden. Het linoleum is zachter en daardoor makkelijker te bewerken. De technieken zijn vergelijkbaar. Uit het hout of linoleum werd een afbeelding uitgesneden. Vervolgens drukte men dit als een soort stempel op papier.

Kenmerkend zijn de hoekige en krachtige lijnen. De vormen worden sterk vereenvoudigd en teruggebracht tot hun essentie, de grove techniek leent zich namelijk niet voor gedetailleerde tekeningen.

Leefkamer Museum Gust De Smet te Deurle ( Foto Karine De Wasch)

Bauwens, Gérard

Gerard Bauwens 2016

Gerard Bauwens werd geboren te Gent op 26 januari 1947 en studeerde aan de Koninkijke Academie voor Schone Kunsten te Gent  van 1963 tot 1971.
Hij behaalde toen de medaille van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Nederlandse Cultuur, een aantal eervolle vermeldingen, de prijs Dutry (1970), de prijs Pro Civitate (1971) en de Prijs van het Publiek van de Stad Ronse 1979. Hij stelde o.a. tentoon te Gent, Ronse, Brussel , Knokke en Parijs.

Het werk van Gerard Bauwens heeft tot onderwerp de menselijke figuur in een veelvuldigheid van aspecten. De schoonheid van een meisjesgelaat, van een vrouwengestalte boeit hem en inspireert hem tot een lyrische vormgeving, waarin hij sensualiteit en tederheid verzoent en het louter lichamelijke weet te ontstijgen door een sterke bezieling van binnenuit. Zijn personages kijken de toeschouwer meestal niet aan: hun blik is afgewend of neergeslagen en dit verleent hen een roerloze rust en een diepe tijdeloosheid. Steeds minder frequent wordt de afbeelding van één personage, steeds groter evenwel de verscheidenheid in houdingen. Die vormen aldus de uitgangspunten van breed opgezette, uiterst evenwichtige composities, waarin de samenvoeging der figuren niet enkel een kwestie is van uitwendige structuur, maar vooral in een diepere onderlinge verbintenis gebaseerd is. Zijn oeuvre brengt bijna een boodschap of verhaal en blijft de kunstliefhebber boeien of intrigeren.  De kunstenaar trekt zich vaak terug in een eigen wereld waar hij mediteert over het wereldgebeuren, de evolutie van natuur en de economie . Het aanvoelen of de verbeelding spreidt hij dan tentoon in zijn werk waar een attente kijker nooit op uitgekeken raakt en telkens iets verborgens ontdekt.

Horst Jürgen Herrberger vatte het samen in een boeiende presentatie

191026 Galerij Resonans Gerard Bauwens

HUYS, Modest

ModestHuys1917

HUYS, Modest (1874-1932)

Kunstschilder Modest Huys zag in 1874 het levenslicht in de Olsense Kerkstraat.
Vader Huys was een schilder-decorateur en Modest sprong al op jonge leeftijd bij.

Rond 1890 verkoos Modest Huys zich eerder te profileren als kunstschilder.
Zijn interesse werd aangewakkerd door een ontmoeting met Emile Claus. Later gingen steeds meer kunstenaars deel uitmaken van zijn vriendenkring;  James Ensor, Leon De Smet, Jenny Montigny, dichter René Declerq en schrijver Stijn Streuvels …
In 1902 schreef Modest zich in aan de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten. Hij zou die opleiding nooit afmaken want hij had een hekel aan het schoolse en bleef liever bij zelfstudie.
Als autodidact was Huys een échte selfmade-man en bijzonder sterk en ruim  geëngageerd. Zonder academische vorming ontwikkelde hij intuïtief zijn eigen schilderkundige waarden.
Huys was daarenboven veel volkser gericht en gezind dan Emile Claus en hechtte veel belang aan de esthetische ontwikkeling van zijn al dan niet volkse medemens: “Ik vind het noodzakelijk dat er wat meer gewerkt wordt om de kunstgevoelens onder ’t volk te verspreiden.” Zijn verbondenheid met de Leiestreek was dan ook veeleer een emotionele dan artistieke overweging. De Leie was voor hem meer dan een idyllische rivier en de vlasrijke landerijen die het omringden waren de bron van zweet en hard labeur. Huys wordt voor het eerst opgemerkt door zijn deelname aan de Luikse wereldtentoonstelling in 1905. Zijn aanwezigheid gaat ook advocaat en schrijver Octave Maus niet voorbij. Op zijn uitnodiging exposeerde hij bij La Libre Esthétique en trad hij  toe tot de kunstgroep ‘Vie et Lumière’ waar hij figuren als Emile Claus, James Ensor, Anna De Weert en Jenny Montigny vaker ontmoette. Ook Georges Chabot en André De Ridder spraken vol lof over zijn werk. Zijn deelname aan de Biënnale van Venetië vijf jaar later werpt dan ook internationaal vruchten af.
Het Amerikaanse Carnegie Institute nodigde hem vanaf 1910 uit voor de jaarlijkse tentoonstellingen te Pittsburgh. Hier bleef hij van 1910 tot 1914 en van 1920 tot 1923 exposeren. Het instituut had een mooie reputatie opgebouwd en wilde het Amerikaanse publiek verrijken met een select gezelschap van kunstenaars uit binnen- en buitenland.
Ook in Amerika konden ze Modest Huys zijn kleurgevoel, vrije fractuur en poëtische benadering smaken.

HUYS WATERRATTEN 1921

(olie/doek, ‘Waterratten’ – 1921)

Brancusi, Constantin

brancusi portret

De in Roemenië geboren beeldhouwer Constantin Brancusi heeft zich nooit begeven in de kringen van de futuristische beweging. Toch heeft veel van zijn werk de typische dynamische en mechanische eigenschappen, die kenmerkend zijn voor het futurisme. In plaats daarvan liet de kunstenaar zich inspireren door primitieve Afrikaanse beelden en traditionele Roemeense volkskunst. Zo onderscheidt hij zich ook duidelijk van de Italiaanse futuristen, die hun blik vooral op de toekomst hadden gericht.

brancusi atelier

Je ontdekt deze kunstnaar in deze bijdrage van H-J Herrberger: 880605~2

 

Cragg, Anthony

Tony Cragg werd in 1949 in Liverpool  (UK) geboren. cragg portret
Zijn vader was een elektro-ingenieur en onder diens invloed is hij altijd door wetenschap en technologie gefascineerd gebleven.
Op zijn achttiende ging hij werken in een laboratorium.
Een omgeving die hem helemaal niet zinde. In zijn vrije tijd begon hij dan ook al snel te tekenen en allerhande objecten te maken. Voor het eerst in zijn jonge leven was  hij beeldend creatief.
Het beviel hem en hij schreef zich in voor een basisopleiding beeldende kunsten van één jaar.

Tegelijkertijd had hij een bijbaantje in een gieterij waar gietstukken voor elektrische motors werden gemaakt en waar de kunstenaar naar eigen zeggen zijn drang om een dynamiek met de materie op te wekken, heeft opgedaan.
Na de basisopleiding in de ‘schone kunsten’ volgde Tony Cragg een opleiding in de Wimbledon School of Art en nadien nog een specialisatiecursus aan het Royal College of Art, in totaal zeven jaar studie. In 1977 aanvaardde hij een baan als docent aan de kunstacademie van Düsseldorf en vestigde Tony zich in Wuppertal.
Sinds 1988 is hij professor aan de Kunstacademie en tevens co-directeur.
Tony Craggs internationale doorbraak kwam er in 1978 en sindsdien stelt hij aan een hoog tempo overal ter wereld tentoon. In 1988 won hij de ‘Turner Prijs’ en vertegenwoordigde zijn land op de 43ste Biënnale van Venetië.

Tony Cragg behoort tot de belangrijkste hedendaagse beeldhouwers wereldwijd.

Zelf ontdekte ik zijn werk pas in 1993 toen hij aan de Zeedijk te Knokke bij Guy Pieters de rotonde innam samen de videokunstenaar Nam June Paik en George Segal..
Ik kende zijn werk amper maar toen het muurhoge werk ‘Cowboy’ moest gemonteerd worden, vloekte ik wel even ‘binnensmonds’. Het werk bestond namelijk uit een honderdtal kleurrijke strandspeeltjes die volgens de handleiding secuur en op de juiste afstand moesten bevestigd worden. Eens geïnstalleerd, kon ik het wel appreciëren want die kleurige ‘Cowboy’ werd de blikvanger van de tentoonstelling.

Britain Seen from the North 1981 Tony Cragg born 1949 Purchased 1982 http://www.tate.org.uk/art/work/T03347

Cragg is steeds weer op zoek naar nieuwe relaties tussen de mens en de materiële wereld. Er is geen beperking op de materialen die hij kan of wil  gebruiken, omdat hij als kunstenaar geen grenzen oplegt aan de ideeën of vormen die hij kan bedenken. Zijn vroege, gestapelde werken geven een taxonomisch inzicht in de wereld en hij heeft ooit verklaard dat hij door de mens gemaakte objecten ziet als “gefossiliseerde sleutels tot een verleden tijd die thans ons heden is”. Ook de vloer- en wandopstellingen van objecten die hij in de jaren tachtig van de vorige eeuw begon te maken, vervagen de grens tussen kunstmatige en natuurlijke landschappen: ze vormen een omtrek van iets bekends, waarbij de bijdragende delen zich tot het geheel verhouden. Cragg verstaat de beeldhouwkunst als een studie van hoe materie en materiële vormen onze ideeën en emoties beïnvloeden en gestalte geven. Dit wordt de kunstliefhebber duidelijk door de manier waarop Cragg twee brede oeuvres die hij ‘Early Forms’ en ‘Rational Beings’ noemt, heeft bewerkt en bewerkt.
‘The Early Forms’ onderzoeken de mogelijkheden van het sculpturaal hervormen van vertrouwde objecten zoals containers tot nieuwe en onbekende vormen die nieuwe emotionele reacties, relaties en betekenissen opleveren. ‘Rational Beings’ onderzoeken de relatie tussen twee ogenschijnlijk verschillende esthetische beschrijvingen van de wereld; de rationele, wiskundig onderbouwde formele constructies die de meest gecompliceerde organische vormen gaan opbouwen waarop we emotioneel reageren.
De menselijke figuur is het voornaamste voorbeeld van iets dat er uiteindelijk organisch uitziet en emotionele reacties oproept, terwijl het in wezen een uiterst gecompliceerde geometrische compositie van moleculen, cellen, organen en processen is.
Zijn werk imiteert de natuur en hoe we eruit zien niet, maar het gaat erom waarom we er zo uitzien zoals we en waarom we zijn zoals we zijn.

 

Czerniewski, Eveline

Eveline Czerniewski (°Gent 1952) is sinds haar kindertijd gepassioneerd door tekenen en schilderen. Het is dan ook haast evident dat ze haar studies de kunstrichting wilde insturen. Thuis hadden ze daar echter geen oor voor. Academie volgen was niet aan de orde. Na een passage in het Koninklijk Lyceum zet ze de stap naar de Textielschool aan de Gentse Voskenslaan. Ze studeert er Textieltekenen en -ontwerpen. Na haar studies kan ze onmiddellijk aan de slag als tekenaar-ontwerper bij Rubanerie Gantoise te Heusden.

In die periode komt ze dan via de Latemse Teken- en Schilderschool in contact met Eduard De Clercq, die haar de weg toont naar het betere aquarelwerk en het rietpentekenen.

Later volgt Eveline Czerniewski diverse workshops bij Wisper, is ze gaste in regionale kunstenaarsateliers en ervaart ze de tactiliteit van keramiek bij Françoise Busin om zich vanaf 2010  in deze disciplines te vervolmaken aan het SASK te Deinze.

In 2013 sluit ze zich op advies van kunstschilder en dichte buur Chris De Clercq aan bij het kunstcollectief ‘Art De Pinte’.

 

 

 

 

 

 

 

 

In 2016 komt ze in de ban van het zijdeschilderen, wat tot een kleurrijke en exclusieve collectie sjaaltjes leidt met als label ‘Vivre en Soie’.

Door dat schilderen en ontwerpen van ‘silk scarves’ komt ze tot de appreciatie van het subtiele en subjectieve binnen de abstracte kunst en gaat ze olieverftechnieken toepassen op canvas.

Dit brengt haar dan weer tot de cyclus ‘Confrontatie’: abstracte werken die de kunstenares in contrast brengt met de figuratieve schilderkunst en meer bepaald met die van de Latemse Groepen en hun volgelingen.

 

        

In 2019 vervolmaakt ze haar technieken voor portretschilderen en narratieve schilderkunst.  
Door de pandemie blijven de exposities voor onbepaalde tijd uit. Ontgoocheld ondergaat ze de druk van een algemene lockdown die het cultuurleven lamlegt.

in de keramiekateliers van Caroline Vanderschoor en Carine Mercie neemt  ze terug de draad met het kleien op en gaat nu voluit voor de keramiekkunst.

 

Pavlos

Dionyssopoulos Pavlos werd in 1930 in het Griekse Filiatra geboren. In 1949 slaagde hij voor het ingangsexamen aan L’Ecole des Beaux Arts van Parijs. Hij kreeg er tijdens zijn opleiding in 1954 verschillende beurzen om zijn studies in Parijs verder te blijven zetten. Als hij op het einde van de jaren ‘50 beslist zich definitief in Parijs te vestigen, ontdekt hij er de stad van de ‘nieuwe realisten’.

Hij trekt er op  met Calder, Giacometti maar ook met César, Yves Klein en hun mentor Pierre Restany. Zijn atelier aan de rue de Vaugirard ligt pal tegenover die van Dubuffet. Deze nieuwe stedelijke omgeving is voor Pavlos het signaal om de schilderkunst achter zich te laten. Zo komt hij tot het gebruik van zijn typische techniek met versnipperde affiches en inpakpapier.
Hij speelt in op de effecten van de densiteit, de kleuren en de reliëfs bij het kleven van de papiersnippers die hij gebruikt. Zo  gaat hij met passie aan het werk, de interne logica van zijn materiaal volgend en vindt hij een essentieel onderdeel van de hem kenmerkende artistieke taal. Deze aanpak onderscheidt zijn oeuvre van dit van de toenmalige ‘affichisten’ als Hains, Villéglé en Rotella. Zo wordt Pavlos in 1963 opgemerkt in de salon des Réalités Nouvelles door Pierre Restany, de grote inspirator en theoreticus van de groep van de Nieuwe Realisten. Maar het werk van Pavlos evolueert snel. De kunstenaar verlaat de weg van de abstractie en de barok om de mogelijkheden van een nieuwe expressiviteit te verkennen. Deze ontmoeting opent nieuwe perspectieven en zal de oriëntaties van zijn toekomstige werk bepalen.

Door met zijn papierstroken de vorm van alledaagse objecten te suggereren, gaat Pavlos weg van het Nieuwe Realisme en komt hij dichter bij Pop Art. Hij blijft echter een vrije elektron in de kunstwereld en sluit zich bij geen enkele kunstbeweging aan.

Pavlos reconstrueert de alledaagse voorwerpen: shirts, dassen, sigaretten, flessen, fruit. Hij brengt de wereld kleur en lichtheid.

Na een eerbetoon aan American Pop Art (Galerie Laurent Strouk 2005), een eerbetoon aan de Italiaanse cinema (Gallery Guy Pieters 2008) brengt Pavlos vandaag hulde aan Superhelden, (2013 Galerie Laurent Strouk), Catwoman, Superman, Batman en Captain America…

Pavlos overleed te Parijs in 2019