Categorie archief: D-E

Dooms Vic

Vic Dooms (1912-1994)

dooms vic portret
Net als Albijn van den Abeele was Victor Dooms een van de weinige autochtone kunstenaars in Sint-Martens-Latem.
Bij zijn geboorte in 1912 stond het dorp reeds op de artistieke landkaart van België. De eerste (symbolistische) groep en de tweede (impressionistische) groep waren toen reeds grotendeels uit het dorp verdwenen.
Maurice Sys was in het interbellum regelmatig een oude ingezetene van Latem.

Als hij niet op zijn woonboot vertoefde, was hij de gast van de familie Dooms.
De jonge Vic Dooms vergezelde hem meermaals op zijn schilder tochten.

Tussen 1932 en 1939 volgde hij lessen aan de Portaelsschool te Vilvoorde, maar hij bloeide echter pas volledig open in het atelier van Jules Brouwers, die naar de traditie van de realisten, met zin voor het ‘Clair-Obscur’, het thema van het stilleven grondig uitdiepte.
Net voor de oorlog kwam hij opnieuw naar Sint-Martens-Latem.
Vic Dooms hield zich nogal in de luwte van de kunstscène. Van op afstand bekeek hij het gebeuren, maar nam maar aarzelde om er zelf actief aan deel te nemen.

Vic Dooms exposeerde amper tot kunsthandelaar Marcel Pieters hem naar het ‘Latems Museum voor Moderne Kunsten’ bracht.
Hij legde er, als stille waarnemer, met Maurice Schelck, Oscar Bonnevalle, Antoon Catrie en de toenmalige ‘jonkies’ Martin Wallaert, Henri Vandermoere en Hans Kitslaar de basis van een artistieke vriendenkring.
In 1993, een jaar voor zijn dood, organiseerde cultuurcentrum het Toreken te Gent een groots opgezette retrospectieve.
Zijn nagelaten oeuvre is zeer gevarieerd maar  met zijn goede vriend en kunstschilder Eduard De Clercq ging hij tot kort voor zijn dood in de natuur schilderen.

vic dooms paintings on auction

Hoewel Dooms landschappen, havenzichten, marines, bloemen en portretten schilderde, werd hij vooral bekend als intimist en schilder van stillevens. Net als zijn Gentse evenknie Maurice Dupuis verkoos hij de geborgenheid van het eigen huis, waar hij zijn echtgenote Marie bijstond bij de huishoudelijke taken.
Zijn stillevens zijn erg contemplatief. De hem eigen, fijnzinnige  kleurkeuze en een vaste toets of veeg van het paletmes  droegen als het ware zijn doordachte, gemeten composities.

De Buck Evarist

EVARIST DE BUCK (1892-1974)

de buck evarist0001
Evarist De Buck
doorliep tussen 1904 en 1914 de Gentse Academie maar dit werd echter  door het begin van de Eerste Wereldoorlog verstoord.
Hij kwam zich in 1917 in Sint-Martens-Latem vestigen en datzelfde jaar nodigde de Gentse ‘Salle Taets’ hem uit voor een individuele tentoonstelling.

Exposeren deed hij trouwens vooral in Gent.
In de plaatselijke ‘Cercle Artistique et Littéraire’ was hij meermaals te gast.
In 1925 kreeg hij er zelfs een individuele tentoonstelling. Gelijktijdig exposeerde hij in de ‘Galerie d’Art’ en later volgden af en toe, maar regelmatig, individuele tentoonstellingen in Brussel en Antwerpen.

Getraumatiseerd door de dood van zijn zoon tijdens de Tweede Wereldoorlog besteedde hij zijn volle aandacht aan het beheer van de kunstgalerij die hij had gesticht, en waar hij vooral eigen werk toonde.
In  het Latemse kunstleven bleef hij afstandelijk en was hij eerder een eenzaat..
Hoewel hij tot zijn dood in het dorp verbleef, nam hij nauwelijks deel aan het plaatselijke kunstleven. Wel verraadt zijn werk de invloed van Latemse dorpsgenoten, met name Valerius De Saedeleer en Albert Servaes.

Bij zijn debuut was De Bucks voorkeur voor sociale thema’s als werkloosheid en armoede overduidelijk. Onder invloed van de sombere oorlogsjaren, bracht hij in zijn houtskooltekeningen miserabilistische taferelen. Anderzijds stond hij in de vroegste jaren onder invloed van het Divisionisme van Emile Claus en Théo van Rysselberghe.

Het verloop en het einde van de oorlog liet ook op zijn werk een grote indruk na. In de jaren na de oorlog bracht hij pathetische stukken en sneed hij nu plots religieuze thema’s aan, die sterk aan Albert Servaes doen denken. Anderzijds putte De Buck uit volkse verhalen. Ook naar George Minne keek hij enorm  op.

'Rust in de Weide'

‘Rust in de Weide’

In de jaren 1920 evolueerde zijn werk naar een sobere eenvoud. De vormelijke vereenvoudiging ging gepaard met een zachte gevoeligheid voor zijn eigen leefwereld. Zijn doeken zijn eerder  intiem dan monumentaal. Bescheidenheid overheerst.
Evarist De Buck was geen geboren verteller, en episch worden zijn doek nooit. De Leie bracht hij in stilte op doek, in contemplatieve verwondering over de roerloze eeuwigheid…

'Kleurenspel op de Leie'

‘Kleurenspel op de Leie’

De Smet Leon

Leon De Smet - 1951

Leon De Smet – 1951

Léon De Smet studeerde aan de Gentse Koninklijke Academie voor Schone Kunsten samen met zijn broer Gustave. Beiden behoren tot de Tweede Groep van Sint-Martens-Latem, de kunstgroep die in de streek rond Sint-Martens-Latem ging wonen om er in contact met de eenvoud van de Leiestreek tot een nieuwe kunst met een dieper inhoud te komen.
Léon was hier onder andere bevriend met de kunstenaars Valerius De Saedeleer, Maurice Sys, Constant Permeke, Frits van den Berghe, Gustave Van de Woestijne en diens broer, dichter Karel Van de Woestijne.
Bij het uitbreken van de Eerst Wereldoorlog vluchtte Léon naar Groot-Brittannië, waar hij bijval kreeg met zijn portretten en zo zijn oeuvre ‘omhoog tilde’. Een individuele tentoonstelling in januari 1917 in de Leicester Gallery in Londen was daar de vrucht van.

Toen hij in 1920 terugkeerde naar België kreeg hij een grote tentoonstelling in de Brusselse Galerie Georges Giroux. In 1953 werd hij gelauwerd met een grote, individuele tentoonstelling in het MSK Gent. leon de smet detail
Kunsthistorici plaatsen het oeuvre van Léon De Smet zowel bij het impressionisme, expressionisme en pointillisme.
Hij schildert in eerste instanties voornamelijk met subtiele penseeltoetsen, zoals in ‘De verliefden’, een doek uit 1911, maar hij had ook periodes waar hij grote vlakken schilderde zoals in ‘Dame met waaier’in 1924. Zijn kleurenpalet is meestal iets meer gedempt, hoewel telkens een grote diversiteit van kleuren ontstaat in zijn oeuvre. Zijn composities zijn steeds zeer evenwichtig…

artiestenzolder-1223 LEON DE SMET

de Saint-Phalle Niki

niki portretNiki de Saint Phalle werd in Frankrijk geboren, maar groeide op in New York.

Amper twintig jaar oud trouwt ze en krijgt een dochter, Laura. Met haar gezin gaat ze naar Parijs en begint aan een theateropleiding. De wereld van de kunst passioneert haar enorm. Bij diverse trips naar Spanje raakt ze in de ban van het architecturaal en artisanaal oeuvre van Antoni Gaudi.
In Frankrijk brengt ze vaak een bezoek aan het Palais Idéal, levenswerk van de postbode Fernand Cheval, gemaakt uit grillige stenen die hij op zijn weg vond tijdens zijn brievenronde.
In Los Angeles ontdekt ze dan weer de Watts Towers van de Italiaan Simon Rodia, een ijle constructie van ijzer en scherven in een sloppenwijk. Na voltooiing van zijn bizar kunstwerk verliet de Rodia deze plek en verdween in de anonimiteit. In Italië glipt ze kapellen, kerken en kathedralen binnen en ze kan nauwelijks geloven dat deze gigantisch prachtige met fresco’s verfraaide bouwwerken het resultaat zijn van een collectieve wil : het geloof in God.

Na een zware inzinking belandt Niki de Saint Phalle in een ziekenhuis te Nice en gaat schilderen.
Zo ontdekt ze heel toevallig de voor haar helende werking van de schilderkunst en stopt haar theateropleiding. Beeldende kunst wordt haar grote passie. Niki de Saint Phalle begon dus ontegensprekelijk haar artistieke carrière als autodidact. Het woord ‘leren’ vind je niet in haar woordenschat, evenmin als ‘regelgeving’, ‘concept’of ‘compositie’. Tevoren uitdenken hoe iets moet ‘groeien’ en dat technisch voorbereiden, is totaal niet haar ding. Kunst en creativiteit komt spontaan.

Als ze Europa doorkruist geniet ze van alles wat er aan kleurigs en estethisch te koesteren valt, zo is dan ook het werk dat ze teruggeeft: een allegaartje van indrukken en positieve prikkels die ze her en der ervaart en neerlegt in los uit tubes en potten gedruppelde of uitgestreken verf en ruw gemodelleerd gips. Ze gebruikt daarbij naar hartelust lapjes, scherven, koffiebonen, plastic speelgoed en oud ijzer. In het begin zijn het nog sprookjes vol kindergeluk, droomkastelen en prettige beesten. Al snel komt de de figuratie op de achtergrond. Ze schijnt niets anders meer te willen dan verzamelen, stapelen en plakken. Ze vult de volgepakte houten ondergronden dan aan met een idee, dat ze via de titel of met enkele woorden op het werk communiceert. Niki wordt meegezogen in de wereld van de vrienden, die ze intussen om zich heen heeft verzameld. Bijna allen kunstenaars, die zich willen losmaken van de bekende uitbeeldingstechnieken en de weg inslaan van het grote idee. Duchamp, die het ‘kunstmoment’ verlegde van de materie naar de gedachte, is hun voorbeeld en de imposante Pierre Restany hun goeroe. Ze willen de kale kunst die zich op esthetische hoogten boven de mensheid heeft verheven terugslepen naar het leven en de realiteit.

Daniel Spoerri lijmt de overblijfselen van ontbijten en diners op panelen, inclusief de asbakken en het serviesgoed. Robert Rauschenberg verzint nog wat geschilderde partijen bij zijn “objets trouvés”, Tinguely ontwerpt subtiele machines, nu eens speels en dan weer droefgeestig van aanblik en Pollock raast met de verf over het doek tot al zijn energie gestold aan zijn voeten ligt. Niki de Saint Phalle maakt ‘onvoltooiden’, of noemt een werk ‘parmezaan rasp’ of ‘lippenstift, als er ergens tussen de duizend dingen ook zo’n voorwerp op is vastgeplakt. Haar eerste wapenfeit vormen de ‘Tirs’. Planken vol met gips gemoduleerd en gefixeerd recuperatiemateriaal en zakjes verf, die ze ‘ritueel’ laat aanschieten tijdens ‘fluxus’ bijeenkomsten met haar kunstenaarsvrienden.

Het kunstwerk dat vorm gaf aan die rebelse serie was een een overhemd met een dartbord erboven met de titel ‘Portrait of my Lover’. Van zo’n schietstand waarop je pijltjes kunt werpen, is het maar een stapje naar de assemblages waarop je een jachgeweer mag leegschieten, onder het patronaat van de kunstenares en in naam van de kunst.

Dan ontstaan wonden in die ‘huid’, de ‘skin’ van het schilderij. Wonden die bloedsporen over het werk nalaten. Het gips gaat leven. Er komt steeds meer kleur in. Niki had dit nodig, zo stelde ze, om haar agressie te beteugelen. Ze geeft toe haar vader, haar broer, alle mannen, haar school, haar familie, en ook zichzelf in deze acties symbolisch te hebben vermoord.
Kunst maken heelt. Het leidt agressie in banen. Dat wist ze al vanaf het begin.

Niki 'Tirs' - fragment uit Daily Telegraph

Niki ‘Tirs’ – fragment uit Daily Telegraph

In die ‘Tirs’ of ‘Shooting Colors’ kan je in alle rust gissen wat de kunstenares in deze cyclus wou uitdrukken, wat geestesverruimend en fantasierijk blijft voor een attente kunstliefhebber. Kunst is subjectief en dat is nu juist het interessantste gegeven wat, los van de geldelijke waarde, de wereld van kunst en creativiteit te bieden heeft. Elkeen interpreteert het naar zijn eigen inventiviteit of perceptie.

Niki de Saint Phalle nestelt zich in de kring van ‘Nieuwe Realisten’, een groep kunstenaars, die, op een heel basale manier, conceptueel werken. ‘Hoe kan leven kunst maken?’ schijnen ze zich af te vragen. Niki blijft assemblages van zakjes verf en voorwerpen met gips bedekken en aanschieten. Er duikt wel eens een verwijzing op naar de politiek, naar de kerk als instituut of naar de filmwereld. Ze maakt een serie bruiden, die wit en verlaten onder kleurige bomen liggen en ze houdt ‘shooting sessions’ op altaren vol attributen uit de religieuze cultuur.
hoekje Nikidestphalle

Als een van haar vriendinnen zwanger blijkt, ziet Niki ‘het licht van de schepping’.

De Nana’s ‘worden geboren’ : vrouwen met volumineuze ronde vormen, symbool voor het vrouw zijn en de moederschap. Wereldberoemd werd de Nana die in 1965 in Stockholm werd geïnstalleerd. Een sculptuur van enorme afmetingen, waarin onder meer een melkbar was opgenomen. Ook wel, op ludieke wijze, ‘la plus grande pute du monde’ genoemd, omdat deze dame dagelijks duizenden bezoekers ‘ontving’ via de holte tussen haar dijen.

Het motief van de Nana zal haar werk voor altijd blijven bepalen. Het figuurtje danst door haar getekende brieven, haar ontelbare zeefdrukken en lithographieën en geeft vorm aan series beelden en installaties in de openbare ruimte, die ze in de jaren zeventig en tachtig maakt. “Ik hou van rond. Van curven en golven. De wereld is rond. De wereld is een borst”, pent ze in haar talrijke geschriften.

'Les 3 Grâces' - detail

‘Les 3 Grâces’ – detail

De Nana is uiteraard ook het centrale thema in haar levenswerk, de Tarottuinen in het Italiaanse plaatsje Garavicchio. Daar geeft ze elke kaart uit de grote Arcana van de Tarot gestalte in de vorm van een follie. Daar staan haar werken uit scherven en spiegelglas te glanzen tussen het groen. Daar keert ze terug naar ‘haar’ Rodia, Cheval en Gaudi. Het is geen filosofie gestoeld op één nacht ijs, maar een weldoordachte interpretatie van het ontstaan van de wereld en zijn fauna en flora, waarmee ze haar themakeuze voor de tuin rechtvaardigt:

“ If life is a game of cards, we are born without knowing the rules. Yet we must play our hand. Throughout the ages people have liked to play with Tarotcards. Poets, philosophers, alchemists and artists have devoted themselves to discover their meaning.”

Het is duidelijk dat de Saint Phalle ‘elementen’ heeft geschapen die volgens de wetten van haar leven gestalte moesten krijgen. De weg was kronkelig. Haar werk werd hier en daar in sferen getrokken waarmee het te maken leek te hebben.
De ‘Shooting Colors’ waren nog niet het kunstconcept dat ze voor ogen had.
Ze vormen de weerslag van een noodzakelijk handelen. De Tarottuin laat niets los over de Tarot, maar laat zien dat ‘bouwen’ haar roeping was, zoals ingegeven bij de ontdekking van het werk van Rodia, Cheval, en de kathedraalornamenten.

Niki in La Jolla (2000 - picture courtesy Nico Delaive)

Niki in La Jolla (2000 –
picture courtesy Nico Delaive)

Niki op het spoor komen doe je door de kunst met zijn logische, eenvoudige en consequente ruimten te verlaten. Door je te begeven in de art populaire, singulier, brut, of hoe het ook allemaal in vakjes past. Kortom, de ‘non art’, waar de drive ligt bij het individu dat een plaats zoekt op deze wereld door zich beeldend te manifesteren.

'Fontaine Strawinsky' - detail

‘Fontaine Strawinsky’ – detail

Niki de Saint Phalle, geboren als Catherine Marie-Agnès Fal de Saint Phalle in het Franse Neuilly-sur-Seine op 29 oktober 1930 overleed in San Diego (VS) op 21 mei 2002.
Ze blijft ons bij als een veelzijdige kunstenares waarvan de kunst heel dicht op haar leven zat.
Waar de meeste kunstenaars nauw betrokken worden bij de inhoud en de vorm van hun œuvre was het voor Niki wel vaak beangstigend persoonlijk. De kunst was ooit haar redding en werd uiteindelijk haar dood…

(pictures: archives http://www.guypietersgallery.com)

BIO FR

Niki de Saint Phalle, née Catherine Marie-Agnès Fal de Saint Phalle à Neuilly-sur-Seine le 29 octobre 1930 et décédée à San Diego (USA) le 21 mai 2002.

Nous en gardons le souvenir d’’une artiste polyvalente dont l’art faisait partie intégrale de sa vie .Bien que Niki de Saint Phalle soit née en France, elle a passé son enfance à New York.Âgée d’à peine 19 ans, elle épouse  le musicien-écrivain américain Harry Matthews et très vite naît leur fille, Laura.  En 1951, Niki déménage à Paris avec Harry et Laura et se lance dans une formation théâtrale.  Le monde de l’art devient pour elle une immense passion.  Plusieurs voyages en Espagne lui procure une grande admiration pour la finesse de l’ œuvre artisanale et architecturale d’Antoni Gaudi.
En France elle visite souvent «  le Palais Idéal », oeuvre du facteur Ferdinand Cheval, réalisée en pierres erratiques que Ferdinand ramassait lors de ses tournées.

Puis, à Los Angeles, elle découvre les « Tours de Watts » de Simon Rodia, un ensemble de huit tours édifiées de 1921 à 1954, composées de câbles d’acier et incrustées d’éclats de verre, de vaisselle et de coquillages dans un bidonville. Après l’achèvement de son oeuvre bizarre Rodia disparaît dans l’anonymat.

A son retour en Europe, Niki se passionne pour des chapelles, églises et cathédrales qu’elle découvre  lors de ses séjours en Italie et en Espagne.  Elle peut à peine croire que ces gigantesques  constructions décorées de fresques soient le résultat d’une volonté collective : la croyance en Dieu.

Niki de Saint Phalle commença à peindre en 1952. Après une profonde dépression, elle se retrouve dans un hôpital à Nice.  Là, elle découvre par hasard l’effet curatif que lui procure la peinture.  Cet art devient dès lors sa grande passion et Niki de Saint Phalle entame incontestablement sa carrière artistique en autodidacte.
Les mots « apprendre », « loi », « concept » et « composition » n’appartiennent pas à  son vocabulaire.  Art et créativité lui viennent spontanément.

Niki de Saint Phalle intègre le cercle des « nouveaux réalistes », un groupe d’artistes, qui travaillent d’une manière très basique et conceptuelle. Ils se demandent souvent « comment la vie peut-elle être vécue par l’art? »
Presque tous ses amis-artistes veulent se détacher des techniques de reproduction connues pour  prendre le chemin de la grande idée.  Duchamp qui, déplace le « momen de l’art » de la matière vers la pensée, est leur exemple et l’imposant Pierre Restany, leur gourou.

Ils veulent ramener à la vie et la réalité l’art chauve qui s’élevait  à des hauteurs esthétiques au dessus de l’humanité

Sa  carrière artistique prend un élan en 1961.  Niki met en scène des « Tirs » de spectateurs sur des poches de couleur, éclaboussant ainsi des assemblages de plâtre pour réaliser une œuvre.  « Des performances qui lui permettent de créer des œuvres d’art en faisant couler la peinture à vif ».

Quand une de ses copines est enceinte, Niki voit « la lumière de la création ».  Ses sculptures explorent les représentations artistiques du rôle de la femme.  Elle réalise alors des poupées grandeur nature.  Ces femmes prennent progressivement consistance et deviennent les « Nanas ».

« La Nana » est donc née: des femmes avec des formes rondes, encombrantes, symbole de la féminité et de la maternité.  La Nana devient une icône mondiale.

En 1965, elle installe à Stockholm une sculpture de grande dimension, qui héberge entre autre un bar laitier.  Une sculpture monumentale qui très vite aura le surnom ludique de « la plus grande pute du monde », parce que cette « dame » a des milliers de visiteurs par jour qui tous pénètrent par le creux entre ses cuisses…

Le motif et la forme de la Nana continuera à influencer son oeuvre.  La figure danse à travers ses  nombreuses lettres, ses sérigraphies et lithographies.  Elle donne forme à un grand nombre de sculptures et installations en plein air qu’elle a créé dans les années septante et quatre-vingt.  Dans ses nombreux écrits, elle dit : « J’aime les courbes et les ondulations. Le monde est rond. Le monde est un sein »

.A 40 ans, elle épouse l’artiste Jean Tinguely, avec lequel elle réalise la Fontaine Stravinsky devant le Centre Pompidou.  Leur collaboration artistique produira aussi le Cyclop à Milly-la-Forêt, la fontaine de Château-Chinon et surtout  le Jardin des Tarots à Capalbio en Italie.

On y découvre  ses œuvres créées à partir d’ éclats de différents matériaux et de miroirs qui brillent dans la verdure.  Elle revient ainsi à sa passion pour Rodia, Cheval et Gaudi.  Ce n’est pas une philosophie basée sur la nuit, mais une interprétation réfléchie de l’origine du monde, de sa faune et de sa flore par laquelle elle justifie son choix de thèmes pour le jardin : « If life is a game of cards, we are born without knowing the rules. Yet we must play our hand. Throughout the ages people have liked to play with Tarotcards.  Poets, philosophers, alchemists and artists have devoted themselves to discover their meaning.”) Il est évident que Niki de Saint Phalle a créé des éléments qui  selon les lois imposées par sa vie, devait prendre forme.  La route fut sinueuse, mais son oeuvre restera unique, universelle et intemporelle.

A-F Haelemeersch

De Keyser Raoul

raoul-de-keyser portretRaoul De Keyser (1930-2012) was één van de belangrijkste abstracte schilders van ons land, wiens oeuvre een internationale uitstraling bezit.
Het museum eerde in 2013 deze Deinse kunstenaar, zette de kalklijnen uit en organiseerde een hommage met een tentoonstelling met zijn vroegste werk:
1964-1970.

In deze periode start Raoul De Keyser zijn picturale ontdekkingstocht en vertrekt daarbij van alledaagse motieven. Herkenbare beelden worden gereduceerd, herhaald, bewerkt, uit gepuurd en geabstraheerd. Het resultaat zijn verrassende vormen die de toeschouwer moeiteloos inpakken.
Het plaatselijke en het concrete laten een schilderkunstige oprechtheid ontstaan die verre van vanzelfsprekend is.
Raoul De Keyser brengt in zijn vroege werken, gekenmerkt door nabijheid en compactheid, voor ons de wereld dichterbij.raoul schilderij

Sinds 1964 werkte de schilder aan een indrukwekkend en  persoonlijk oeuvre dat zich niet zomaar laat categoriseren. De Keyser is er met verve in geslaagd een aantal ogenschijnlijke tegenstellingen in zijn werk te verenigen, zoals figuratie versus abstractie, het fysische aspect van het schilderen versus de vluchtigheid van het beeld, het exploreren van de basisprincipes in de schilderkunst versus verwijzingen naar zijn privé- leven en omgeving.
Hij hanteerde de principes van de Nieuwe Visie van de jaren 1970 en vormde die om tot zijn eigen idioom, wat hem internationale waardering bracht in de jaren 1980 en 1990.

Raoul De Keyser kreeg belangrijke solotententoonstellingen in Bern en Frankfurt (1991) en stelde regelmatig tentoon in voorname galeries in Berlijn, Munchen, New York,…
Hij maakte ook deel uit van vooraanstaande internationale groepstentoonstellingen waaronder Documenta IX (1992), ‘Der Zerbrochene Spiegel. Positionen zur Malerei’ (Wenen en Hamburg), …

de Sutter Jules

jules de sutterIn tegenstelling tot vele Latemse kunstschilders groeide Jules de Sutter (1895-1970) op in een arm Gents arbeidersgezin. In 1902 verhuisde zijn familie naar Lochristi. Daar groeide hij op te midden van het boerenleven. Als leerjongen bij de Gentse fotograaf Isidoor Mast maakte hij op jeugdige leeftijd kennis met Sint-Martens-Latem, waar de fotograaf een buitenverblijf had.
Dankzij de financiële tussenkomt van Mast kon de Sutter de avondlessen aan de Gentse Academie voor Schone Kunsten volgen.
In de tweede helft van de jaren twintig werd zijn werk regelmatig afgebeeld in het toonaangevend kunsttijdschrift ‘Sélection’. Uiteindelijk zou de Sutter onder contract komen bij de Brusselse galerie ‘Le Centaure’. Tot de crisisjaren zag hij zich op deze manier financieel enigszins ondersteund.
Met Hubert Malfait kwam hij in 1928 ook bij ‘Le Centaure’ en de ‘Galerie Georges Giroux’, maar het was vooral in het, Gentse dat hij succes kende.
Tot 1929 verbleef de Sutter in Waregem, in het Rozenhuis van de familie de Sutter, waar eerder ook Modest Huys en Gustave van de Woestyne verbleven. In 1929 kwam hij naar Astene. jules de sutter hooimijt

Vanaf 1933 was de Sutter van dichtbij betrokken bij de oprichting en de werking van de Gentse galerie ‘Ars’. Die galerie stond borg voor een goede verkoop, en bracht hem in het licht van verzamelaars. In 1937 en 1938 was hij er vaste gast. Niettegenstaande zijn steun aan de katholieke zaal ‘Ars’, was hij tegelijk lid van de ‘Socialistische Studiekring’ van de stad.

Deze kring zou in 1934 een individuele tentoonstelling van zijn werk organiseren in de ‘Feestzaal Vooruit’.
Pas in 1939 vestigt hij zich in Sint-Martens-Latem . Tot zijn dood bleef hij Latemnaar en vormde hij met Hubert Malfait en Albert Saverys de post-expressionistische groep.
Officiële erkenning kwam er pas in 1944 toen hij docent werd aan de Gentse academie. Anderzijds verbood de Duitse bezetter zijn individuele tentoonstelling in de ‘Zaal Ars’.Na de oorlog kende de Sutter echter nog opgemerkte tentoonstellingen. Op de 26ste biënnale van Venetië in 1952 werd hij zelfs gelauwerd.

'Stoof van Hugo Van den Abeele'

‘Stoof van Hugo Van den Abeele’

Jules de Sutter bleef in beeld op de hedendaagse artistieke scène. Een grote tentoonstelling werd in februari 1963 georganiseerd door de Mechelse Galerij Nova. Karel Geirlandt, de toenmalige kunstpaus, leidde hem toen in bij de vernissage.
Bij zijn debuut overheerste de invloed van het fauvisme in zijn werk. Meer nog dan in het impressionisme vond hij in het fauvisme het krachtdadige koloriet.
Het landleven, dat hij reeds op jonge leeftijd kende, zou vanaf 1920 zijn verder oeuvre overheersen.
De Sutter was geboeid door het werk van Gustave De Smet en Frits Van den Berghe. Hun drang naar constructie en synthese nam hij over. Anderzijds was hij coloristisch hun tegenpool. Onder invloed van volkskundige prenten hadden zijn kleurcontrasten niets harmonisch, maar staken schril tegen elkaar af. Ook zijn stijl was veelal primitief en naïef. In het beeldvlak liepen droom en realiteit meestal door elkaar. Belangrijk zijn ook de scherpe contourlijnen die De Sutter toelieten een constructieve opbouw aan zijn schilderijen te geven. Na het sombere coloriet van de jaren 1930, sloeg hij na de Tweede Wereldoorlog een nieuwe weg in. De directe omgeving van Sint-Martens-Latem gaf hem nieuwe moed. Hij ontdekte weer de speelsheid van kleur. In helle, soms schrille gelen en groenen bracht hij een geïdealiseerd beeld van het landelijke leven in en om het dorp.

Dessenis Alfons

dessenisAlfons Dessenis (1874-1952), studeerde aan de Gentse Nijverheidsschool en aan de Stedelijke Academie.
Hij was en begaafd tekenaar en portretschilder. 

Op 15-jarige leeftijd kwam hij eerder toevallig in Sint-Martens-Latem en schilderde er zijn eerste ‘tafereeltje’. Hij was compleet in de ban van de Leie en haar omgeving. Op aandringen van Jules de Praetere kwam hij in 1901 naar het Leiedorp en werd de vriend van de kunstenaars van de ‘eerste groep’.
Voor Dessenis was het altijd kermis.
Hij genoot met volle teugen van het volkse leven en was altijd goedlachs. De boeren, warmoezeniers en de lolmakers werden zijn beste vrienden.
Hij was eerder ‘welstellend’ en dus een welgekomen gast in de herbergen en in de kunstkring ‘Open Wegen’, gevestigd in de ‘Veloclub’ bij Jules Maebe. Hij kon zich gemakkelijk een ‘rondeke’ permitteren en werd snel slagwerker in de plaatselijke fanfare. Met zijn forse slag ergerde hij schildersmodel, de kleine Doorke Malfait die de grote trom op de rug droeg. Als geoefend bariton zong hij in de kerk terwijl Gustaaf Van de Woestijne het orgel bespeelde.
Dessenis schilderde fijnzinnige landschappen, Leiezichten en ook schitterende portretten waaronder dat van Gustave Van de Woestijne. In 1922 verhuisde hij naar Wemmel, in 1930 trok hij naar Ter Hulpen, in 1937 naar Kraainem om zich in 1939 in Sint-Lambrechts-Woluwe te vestigen. Zijn kunstwerken konden het veelbelovend niveau van zijn Latemse periode nooit meer evenaren. Hij kende dan ook jaren van teleurstelling en bittere armoede. Hij stierf in 1950, totaal berooid en door iedereen verlaten, in een Brussels ziekenhuis.

Latem, Molenkouter omstreeks 1908

Latem, Molenkouter omstreeks 1908

De Loose Joz. (1925-2011)

portret joz de looseJozef, Maria De Loose werd geboren te Brugge op 10 januari 1925 en overleed er op 25 juni 2011.
Zijn vrienden noemden hem ‘Seppen’ maar echtgenote en familie hielden het bij Joz. En zo heeft hij het altijd gehouden…
Na zijn humaniora, studeerde hij aan de Stedelijke Akademie voor Schone Kunsten te Brugge, aan het Institut des Hautes Etudes Cinématographiques te Parijs en aan het Institut voor Tropische geneeskunde te Antwerpen.
Tijdens een driejarig verblijf in het voormalig Belgisch Kongo maakte hij met steun van het “Musée de l’Homme” te parijs, een belangrijke etnologische studie over de Zande stam van het Uele gebied alsook over de door hen voortgebrachte kunst.
Zijn kunstbenadering evolueerde van een expressionistische schilderkunst naar een vreemde schilderkunst in reliëf om uiteindelijk in 1955 in de beeldhouwkunst zijn werkelijke bestemming te vinden. Aanvankelijk werkte hij in hout en steen, later in polyester en koper.
Bij de aanvang van het nieuwe Millennium hield Joz. Het uitsluitend bij brons.
In 2005, op zijn 80ste, verscheen zijn schitterende biografie’Een leven vatbaar voor herhaling’, uitgegeven bij http://www.Lannoo.com

joz groot beeld

De Bondt Karel

karel de bondt sch 1Karel De Bondt werd geboren in Evergem op 22 augustus 1888. De familie De Bondt was afkomstig uit Sint-Niklaas. Vader was een decoratieschilder die zich als zelfstandig decorateur gevestigd had in Evergem. In 1891 verhuisde de familie naar Gent waar een ruimer atelier gevonden was in Ramen.
Na zijn middelbare studies aan het Gentse Sint-Amandus College kreeg Karel De Bondt een opleiding plastische kunsten aan de Academie voor Schone Kunsten.
Hij studeerde er af met de eerste prijs voor tekenen en schilderkunst en het diploma van architect. Een van zijn eerste grote opdrachten was een schilderij voor de grote ingangshal van de wereldtentoonstelling 1913 in Gent.
Uit zijn huwelijk met de Gentse violiste Augusta Hanssens kwamen vier kinderen voort.
Hilda, het jongste, verwierf bekendheid als orgelvirtuoze.
Het gezin woonde gedurende 40 jaar in een hoevetje aan de Leie in Afsnee. Het maakt nu deel uit van het restaurant Nenuphar.
Karel De Bondt nam deel aan talrijke tentoonstellingen in binnen- en buitenland (Parijs, Genève, Amsterdam).Hij staat bekend als Leieschilder, maar naast zijn vele Leiezichten schilderde hij ook portretten, paarden, allegorisch en religieus werk.
Zo schilderde hij een kruisweg met minder staties dan de gebruikelijke, omdat hij het niet nodig vond Jezus meerdere malen te laten vallen. Zijn werk leunt aan bij het impressionisme en zelfs het luminisme.
Minder bekend, maar niet minder belangrijk is zijn werk als architect. Zo leverde hij o.m. het ontwerp voor de Paxpoort in Diksmuide die werd opgebouwd met het puin van de vernielde eerste IJzertoren. Karel De Bondt woonde de laatste jaren van zijn leven in de Varendrieskouter in Drongen. Hij stierf op 2 oktober 1973 en vond zijn laatste rustplaats dicht bij de Leieoever op de begraafplaats van Afsnee.

De Clercq Eduard

eduard de clercq portretGeboren te Merelbeke in 1910 en overleden te Gent in 1996.
Kunstschilder, tekenaar en aquarellist. Was van jongsaf aan begaan met de plastische kunsten, maar maakte eerst carrière bij de Gentse politie waar hij van 1948 tot bij zijn opruststelling commissaris was.
Terzelfdertijd volgde hij schilder- en tekenlessen in het theater-atelier van de mimespeler en kunstchilder M.A.J. Hoste. Als kunstschilder was Marcel Hoste, hoewel uiterst getalenteerd, minder bekend, maar als mimespeler zou hij een internationale carrière uitbouwen. Eduard De Clercq, hoewel voornamelijk autodidact, volgde ook plastische kunsten aan het Sint-Lucas-Instituut te Gent.

In 1953 kwam Eduard De Clercq in Latem wonen en werd er bevriend met Jules de Sutter, Hubert Malfait, Léon De Smet en Maurice Schelck. Zijn best vriend en compaan was echter kunstschilder Vic Dooms met wie hij vaak de natuur introk om er te schilderen en te schetsen.P1010778
Toch was het galerijhouder André Vyncke die de “carrière” van Eduard De Clercq zou beïnvloeden. Hij, en alleen hij, kon hem overtuigen geregeld tentoon te stellen in de toenmalige Galerij Vyncke-Van Eyck.
In 1960 en 1965 werd hij geselecteerd voor de Nationale Salons en kon hij, dank zij de Spaanse ambassade, op studiereis naar Spanje, waar hij gastdocent was aan de Academie van Palma de Mallorca.
Eens met pensioen was er tijd om voltijds bezig te zijn met kunst. En hoe. Voor de commissaris was kunst en lesgeven een roeping, een postulaat.
Omdat hij zowat alle technieken van de beeldende kunst beheerste was hij een gedroomd en vooral gegeerd lesgever. In 1967 werd hij docent aan de schildersgilde De Vierschaere te Waregem.
P1010779in 1983 vroeg het Gemeentebestuur van Sint-Martens-Latem hem de coördinatie van de pas opgerichte Latemse Teken- en Schilderschool op zich te nemen. In 1988 nam hij echter om gezondheidsredenen afscheid van zijn leerlingen. Toch zou hij tot 1990 af en toe als gastleraar in aquareltechniek terugkeren naar zijn school.
Omwille van zijn maturiteit werd Eduard De Clercq lid van befaamde Europees Instituut voor de Aquarelkunst.

Hoewel hij zijn werken meestal rugtekende met de vermelding “naar eigen kunnen” was De Clercq een groot kunstenaar. Als artiest én als mens was hij uiterst gul, minzaam en behulpzaam.
Zijn nagelaten oeuvre is louter figuratief, neo-impressionistisch en intimistisch van ondertoon. Hij hield voornamelijk van pasteltinten, maar naargelang de emotie kon het koloriet iets harder worden. Hoewel hij af en toe bloemen, stillevens en portretten schilderde, was Eduard De Clercq landschapschilder.

declercq eduard aquarel0001

Eduard De Clercq schreef naast verschillende handleidingen over aquarel en rietpentekenen ook enkele onuitgegeven streekgebonden novellen. Tot 1985 was hij uiterst actief in het socio-cultureel leven van de gemeente. Hij was o.m. actief lid van de kruisboogmaatschappijen “Willem Tell” en “Jong wordt Oud” en hield ervan met vrienden te praten over de politieke en sociale gebeurtenissen, zowel deze in eigen dorp als regionaal en nationaal. Ikzelf had de eer tot deze vrienden te behoren en tot enkele weken voor zijn dood kwam ik eenmaal per week bij Eduard en zijn vrouw Nelly op de koffie of aperitief om over het dorpsleven van nu en toen te filosoferen…