Categorie archief: F-L

Gevaert Edgar

gevaert edgarEdgar Gevaert (1891-1965), wereldburger, letterkundige, kunstschilder, Nederlands- en Franstalig auteur was als beeldend kunstenaar vooral landschap- en genreschilder maar was bovenal vredesijveraar en volksvriend.

Hij liep humaniora in het College van Oudenaarde en de Nijverheidsschool te Gent.

In 1916 huwde hij de oudste dochter van beeldhouwer George Minne. Hij kwam zich in 1922 aan de Kapitteldreef in een door hem en George Minne ontworpen landhuis  vestigen. Een bijna exacte replica van zijn ouderlijke woning in Oudenaarde. Gevaert volgde lessen aan de Gentse Academie (nu KASK). Hij leidde met zijn familie een eenvoudig buitenleven en was geïnspireerd door de theorieën van Tolstoj en Rousseau. In 1940 week hij met zijn gezin uit naar de Franse Landes en de Lage Pyreneeën, waar hij verdoken leefde als jager, visser en boer. Zijn eerste schilderijen leunden aan bij het neo-impressionisme. Het meest bekende en het oudste is ongetwijfeld ‘le braconnier’ uit 1910. Uit die periode dateren ook ‘het ossengespan’ en ‘Bindrijoogst’ In Wales hanteert hij eerst een realistische aanpak om later, op aangeven van Gustave Van De Woestyne, eerder naar de symboliek te evolueren. ‘Berglandschap met Raven’ werd het begin van de haast typische ‘Gevaertstijl’,. Hoewel recensenten en kunsthistorici ‘Interieur met slaapkamer te Wales’ ten hemel prijzen omdat dit kleine werkje typerend is voor deze kunstperiode en zowel symboliek en emotie uitstraalt , zal Gevaert kiezen voor utopische, imaginaire, paradijselijke landschappen met kleurrijke fauna en flora en dartele, vreedzame figuren. Door zijn levensfilosofie evolueerde zijn oeuvre dus naar een dooreenstrengelen van vegetatie, fauna en naaktfiguren. Een symbolistische weergave van zijn ecologische, kosmische en religieuze denkwereld.
Edgar Gevaert schreef ook talrijke anti-militaristische pamfletten en essays. In zijn laatste levensjaren schreef hij, getekend door een slepende ziekte filosofische en semi-autobiografische werken. Hij was de Vlaamse prediker van het begrip ‘Wereldparlement’ verkozen met algemeen stemrecht.
GEVAERT 4In het kinderrijke kunstenaarsgezin van Edgar Gevaert (1891-1965) en zijn vrouw Marie Minne werd geijverd voor wereldvrede. Een wereldparlement moest daarbij het ultieme hulpmiddel zijn.
In de beweging voor een ‘Wereldparlement’ en’ Wereldregering’ waren heel wat vooraanstaanden actief: Albert Einstein, John Steinbeck, de econoom, sociale hervormer en socialistische politicus Lord William Beveridge (1879-1963), Roberto Rosselini, Georges Ohsawa, de Japanse christelijke hervormer Tyohiko Kagawa (1888-1960), Yehudi Menuhin, de Schotse medicus sociale en voedingshervormer Lord John Boyd Orr (1880-1971, eerste directeur-generaal FAO, Nobelprijs Vrede 1949), Thomas Mann, Albert Camus, André Gide,  L’Abbé Pierre, Edgar Gevaert en de filosoof Jacques Maritain (1882-1973). Tot de militanten behoorden vooral Lord Beveridge, Georges Ohsawa, Lord Boyd Orr, Edgar Gevaert, l’Abbé Pierre en de ‘rode baron’  Antoine Allard, kunstenaar en medestichter van de  Belgische Oxfam wereldwinkels.

Het was echter Georges Ohsawa (1893-1966) die opmerkte dat men eerst vrede binnen zichzelf moest creëren waarbij de macrobiotiek en de daarbij passende voeding centraal stonden.
De familie Gevaert was onmiddellijk gewonnen voor dit gedachtegoed.
Ze importeerde grondstoffen, bereidden andere zelf in de keuken, ook voor vrienden en kennissen, en zo ontstond in 1957 het biologisch, macrobiotisch voedingsbedrijf  ‘Lima’, genoemd naar Ohsawa’s echtgenote Lima (1899-1999) die als honderdjarige nog kooklessen gaf.
Het landhuis, nu het pas gerenoveerde ‘Gemeentelijk Museum Gevaert-Minne’, was in de jaren ’60 en ’70 het middelpunt van de multiculturele ‘vzw Werelddorp’, in de volksmond ‘de commune’. Het gedachtegoed en de filosofie van de ‘ijveraar’, Edgar Gevaert, werden gerespecteerd en bewezen hun impact op verdraagzaamheid en ecologisch denken…

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

 

Advertenties

Folon Jean-Michel

folonJean-Michel Folon 1934- 2005) kon sinds de jaren ’60 terugblikken op een flamboyante, internationale artistieke carrière die hij als kunstenaar in alle sereniteit beleefde en alle lof en superlatieven met de hem tekenende bescheidenheid relativeerde tot wat ik, om in zijn denkwereld te blijven, zou durven te omschrijven als: “son oeuvre est simplement la chronique du voyage de la vie…”.

Zijn markante en populaire mannetje met de hoed is lange tijd de uitgesproken generiek van de Franse televisiezender Antenne 2, het zittende brons, “La Mer, ce grand sculpteur”, op een golfbreker nabij de Albertplaats te Knokke, een poëtische ode aan de kracht van de zee en het ontvankelijke van de eroderende kust.

De mens en de stad, de natuur en het milieu bleven de kunstenaar aanspreken.

Folon had die innerlijke nood om zijn diepliggend filosofisch gedachtegoed te uiten door middel van scheppende kunst met fantasierijke, esthetische picturale vormen die hem eigen bleven. Zijn oeuvre is als het ware  een spontaan uitdragen van intellect, visie en emotie, waar hart en geest voor een harmonisch evenwicht zorgen. Humor, pathetiek en fantastiek zijn steeds in zijn creaties verweven en monden uit in poëzie. Die eenvoudige pen- of penseeltrekken en de hem eigen pasteltinten in zijn grafische en geschilderde oeuvre worden allengs een patent en zijn de aanloop naar een wereldwijde (h)erkenning.

Op 21-jarige leeftijd zou Folon een punt te zetten achter zijn architectuurstudies aan de “Ecole supérieure de la Cambre” te Brussel. Hij wou de grote stad tekenen, het leven van de metropool. Daarom trok hij naar de Franse lichtstad en vond er onderkomen in een hovenierspaviljoentje in Bougival aan de rand van Parijs. In enkele maanden tijd vindt hij dank zij zijn aangeboren enthousiasme en een onuitputtelijke verbeelding, vertederende en filosofische thema’s en een totaal eigen stijl. Hij zal er vijf jaar vertoeven. Zijn tekeningen, die een boodschap uitdragen van moderniteit, worden gepubliceerd in tal van kranten en tijdschriften, wekken snel de aandacht van de meest gerenommeerde wereldmagazines en worden gesmaakt door het grote publiek.

Met weinig middelen maar steeds met grote doeltreffendheid weet Folon aantrekkingskracht te combineren met diepzinnigheid. Zijn subtiele aquarellen stralen in alle eenvoud de poëzie van mens en natuur uit en laten de Toscaanse pasteltinten, geschraagd door vertederende aardkleuren, primeren. Zowel bij zijn illustraties van boeken van zijn lievelingsauteurs Kafka, Appollinaire, Camus, Borges, Vian en Prévert als in zijn affiches en posters voor charitatieve doeleinden die hem nauw aan het hart liggen (o.a.Verdrag van de rechten van het kind en Amnesty International), staat steeds éénzelfde thema centraal: de mens.

Naast een grote muurschildering voor het Brusselse metrostation Montgomery verwezenlijkt hij ook een monumentaal fresco voor Waterloostation in Londen alsook het wandtapijt van het “Palais des Congrès” in Monaco.

In 1969 heeft Folon een eerste overzeese tentoonstelling in New York in de Lefebre Gallery, onmiddellijk gevolgd door een rondreis in Japan met belangrijke exposities in Tokio en Osaka. In 1970 is hij opvallend aanwezig in het Belgische Paviljoen bij de 35ste Biënnale van Venetië en een brengt hij zijn eerste persoonlijke tentoonstelling in Italië in de Milanese Galleria del Millione.

In 1971 realiseert Jean-Michel Folon een belangrijke tentoonstelling met negentig werken in het ‘Musée des Arts Décoratifs; deze belangrijke verzameling maakt dan later haar opwachting in het ‘Palais des Beaux Arts de Charleroi’, het Museum voor Moderne Kunsten van Brussel en in het ‘Castello Sforzesco’ te Milaan.

Naast het uitvoeren van belangrijke muurschilderingen en de realisatie van reeksen aquatinten en etsen volgen de tentoonstellingen elkaar in snel tempo op: het Museum Boymans-van-Beuningen (Rotterdam), ‘Deutsches Plakatmuseum (Essen), ‘Institute of Contemporary Art’ (Londen). In 1974 creëert Folon tien etsen en aquatinten voor de “Cirkelvormige Ruines” van Jorge Luis Borges.

Tussen 1981 en 1984 realiseert hij belangrijke affiches, maakt tal van collages, theaterdécors, boekillustraties en draait enkele schitterende animatie- en kortfilms in New York, Los Angeles en New Orleans. Hij gaat zelf acteren in het Franse drama ‘L’Amour Nu’, een film van cinéaste Yannick Bellon met Marlène Jobert in de hoofdrol.

Folon is een veelzijdige kunstenaar maar profileert zich later voornamelijk als een schitterende aquarellist. Zijn aquarellen worden tentoongesteld van de Verenigde Staten tot in Japan via Italië, Parijs of het zuiden van Frankrijk. Vanaf 1993 gaat ‘Michelange’, zoals hij zich graag door intimi laat noemen, zich voornamelijk toeleggen op de beeldhouwkunst. Hij maakt zijn eerste figuren in klei of gips en giet zijn eerste bronzen. Zijn typische schriftuur bij de realisatie van die marmers en bronzen is steeds herkenbaar en plaatst hem in de ‘eregalerij’ tussen de grootste beeldhouwers van de 20ste eeuw.

In oktober 2000 werd in België en meer bepaald in Waals-Brabant een Stichting Folon in het leven geroepen. Deze stichting is gehuisvest in de hoeve van het domein van Terhulpen. Deze 19de-eeuwse hoeve wordt omringd door een park van ongeveer 220 ha, dat vroeger eigendom was van de familie Solvay.
Dit domein is één van de mooiste parken van Europa en werd in 1993 uitgeroepen tot “uitzonderlijk patrimonium” van Wallonië.
Jean-Michel Folon heeft er geborgenheid gevonden voor zijn ‘geesteskinderen’, maar de geestelijke vader zelf blijft onvermoeibaar, barst nog steeds van creativiteit en veruiterlijkt zijn onuitputtelijke fantasie en scheppingsdrang in zijn Monegaskisch atelier of tussen de vrienden in Pietrasanta, Monaco en Saint Paul de Vence. Door de jaren heen is hij de icoon geworden van de hedendaagse aquarel- en beeldhouwkunst en heeft hij, door een onwaarschijnlijke artistieke veelzijdigheid, zijn stempel gedrukt op de evolutie en de uitstraling van de Europese kunst van de 20ste en 21ste eeuw.

Folon_fleuri_IMG_7985[1]

Folon_in_St_Martens_Latem_20001[1]

Francis Sam (1923 – 1998)

francis1American Abstract Expressionist painter in oil and watercolour. Lithographer. He was born in San Mateo, California. Studied psychology and medicine at the University of California at Berkeley 1941-43, then served 1943-45 in the US Army Air Corps. Began to paint in 1944 after a plane crash, while in hospital recovering from a spine injury. Received instruction from David Park and in 1948-50 returned to the University of California to study art. Started to paint abstract pictures influenced by Still, Rothko and Gorky. Moved in 1950 to Paris, where he had his first one-man exhibition at the Galerie du Dragon 1952. Painted almost entirely in monochrome for several years, then began to use contrasting colours. In 1957 made his first journey around the world, including two months in Japan where he executed a large mural. Has since travelled widely, with studios in Paris, Bern, New York, Los Angeles and Tokyo. Painted large murals for the Kunsthalle, Basel, 1956-58, the Chase Manhattan Bank, New York, 1959, but in the 1960s worked mainly in watercolour and made a number of lithographs. Many of his later works include large expanses of white.
***

Sam Francis’ career embraces some fifty years of art history, averse to all trends, which the artist consciously and obstinately ignored in order to strike out along his own personal path. Creativity and tireless dedication to his work result in a diverse “expressive heritage”, with paintings, drawings and graphics. His Big Orange, Round the World and other artistic creations are among the icons and belong with the top achievements in post-war art immortalising his later oeuvre.

Sam Francis was born in San Mateo (California) in 1923 and embarked on his artistic career in 1944 when he was immobilised by a plane accident for several months during his army training. During his revalidation he became acquainted with David Park, professor at the California School of Fine Arts and himself a successful abstract-expressionist artist. Although it was from David Park that he learnt the evocativeness of expressive art, for Sam Francis Matisse was the unconditional example with whom he at that time shared a predilection for primary colours. Following a guest lecture in Berkeley he is predominantly influenced by Mark Rothko’s persuasiveness and creativity. Later he is inspired by Joan Mitchell, Pollock and de Kooning’s work, just as Jean-Paul Riopelle and the European innovators like Dubuffet and Fautrier make their impact.

Sam Francis’ use of exceptionally thin oil paint allows him to attain a refined transparency in his work, approaching the lightness and subtlety of the water colour technique, bringing delicacy and radiance to his instantly recognizable style.

In 1950 Sam Francis moves to France, living in Paris for seven years, studying briefly at the Académie Fernand Léger and then moving on restlessly in search of new challenges. After the White Paintings, the Orange cycle are his first creations in the “City of Light”, which gave the artist the opportunity to create an area of tension between shape and colour, following the earlier white monochrome. Deep Orange and Black, as part of the Blue Balls Series, represents one of the major works from this period.

Sam is a passionate traveller and remains so throughout his life, undertaking journeys throughout South America, Europe and Japan.

This experience spurs the artist towards “living through” and setting out narrative, intellectually broadening, colourful abstract compositions, in which he experiments with “a controlled unpredictability of merging and drippings”.

In spite of his admiration for Monet’s later work, the Paris School and in particular for Jean Arp and Yves Tanguy’s work, he resists the temptation to be led into the simplistic reproduction of still lifes and landscapes, but remains a resolute devotee of abstract expressionism.

Following a series of successful European exhibitions, where his work was also on display at the famous Rive Droite, and diverse commissions for monumental wall paintings (including Basle and Tokyo) Sam Francis was discovered by Martha Jackson in 1956, whose unqualified support and approbation guided him into theTwelve Americans exhibition at the Museum of Modern Art in New York and later The New American Painting, where 17 artists, including Pollock and Rothko, demonstrated (for) the artistic freedom of expressive artists, an exhibition which “toured” Europe in 1958-59.

In that period Francis painted the images which had remained in his mind: monumental canvases, whose transparent white oceans of paint are broken by continents, peninsulas and isthmuses in bright blue, red and yellow.

He has a phlegmatic expression about the white “oceans” in his work: “the space in the center of these paintings is reserved for you …”

After a sojourn in Berne (1960/61) Sam Francis returns once more to his trusty southern California in 1962, where he spends the last thirty years of his life living and working in Santa Monica. In 1965 he marries for the third time. His bride is the young Japanese photographer and video artist Mako Idemitsu, daughter of a wealthy Japanese art collector, friend and owner of the largest Sam Francis collection in the world.

His artistic career develops into a big international success story. Throughout the world he becomes the icon, the advertisement for the modern American artists crowd. The exhibitions, whether they concern oil paintings, prints or work on paper, become increasingly in demand, acquiring a snowball effect and following each other in a hellish tempo. Some critics unfairly refer to his work as predictable but the remarkable Blue Balls from the turbulent sixties quickly has them eating their words.
His Edge Paintings appear in 1964, followed by the sky painting performance (1966), in 1969 he is awarded an honorary doctorate in Philosophy by Berkeley University and he commences studies under Dr James Kirsch, a prominent analyst in Jung philosophy.

The monumental canvases are replaced by paintings on paper in hugely variable formats, extremely varied in composition and often in less lively colours, strongly influenced by the artist’s frame of mind and/or satisfaction with life. His Edge Paintings remain very desirable collectors’ items, just as the later Grid Paintings (1977).
Acrylic paint was to play a major role in Sam Francis’ work at the end of the sixties. This type of paint offers enormous possibilities to the painter. Once more obsessed by a vivid colour palette, he has his paint prepared by his own paint mixer who, in contrast to the average producer, works with high concentrations of colour pigment, providing greater impact through both their radiation and subtlety of colour. Sam has complete control over colour and material and directs the tractable acrylic paint with a flair for poetry and composition.
Where a whole series of processes would be involved with oil paint, acrylic paint suddenly simplifies everything and culminates in remarkable “manipulated” compositions.
Brushstrokes are gathered into large and smaller colour fields which, in terms of colouring are always harmoniously related to each other. These colour fields and drippings which play such an important part in the expressive entirety give to this branch of abstract painting the melodious name colorfield painting. Through this powerfully expressive brushstroke, the countless splashes and the drip method continue to result in a physical action, but in contrast to the often unbridled and demonstrative violence of action painting, Sam Francis’ treatment seems calmer and more thought-out.
Through the improved and considered brushwork and conscious use of materials it has lost its purely demonstrative character. Also the large amount of white, which simultaneously does service as outlet area for the drip trails, contributes to this. In spite of the fact that through this large white colour field the whole appears tranquil and open, in this trend, too, the manoeuvre is not completely finished. Colour fields and splashes often appear to continue beyond the edges; this “painting” also creates the impression of being a fragment of a large whole.

Sam Francis was a trendsetter in the area of colorfield painting and to this day remains unsurpassed in this whimsical and colourful art movement.

Grusenmeyer Marie-Paule

MARIE-PAULE GRUSENMEYER (°1958) is zowat de jongste onder de gerenommeerde namen uit de vierde generatie Latemse kunstenaars. De meeste critici stellen in vraag of glaskunst een ambacht of een kunstvorm is. Gezien de creativiteit die ermee gepaard gaat ben ik ervan overtuigd dat niemand er graten zal in vinden als ik het oeuvre van Marie-Paule Grusenmeyer kunst noem.
Het zijn geen gebruiksvoorwerpen, zoals men bij de glazenierskunst zou kunnen verwachten, maar decoratieve elementen die in een architecturaal concept gevat zijn. Glas-in-lood-ramen gemaakt volgens de aloude, klassieke technieken maar met een vaak geabstraheerde moderne vormgeving. Kleur is een belangrijk element in het oeuvre van Marie-Paule Grusenmeyer. Zoals ze zelft stelt “veroorzaakt het een meditatieve concentratie omdat zij bij het ontwerpen van een compositie haar geest op de schakeringen en nuances van gekleurde glaspartijen zet. Naargelang het tijdstip van de dag, het seizoen of de weersomstandigheden, het gebruik van opake glassoorten en door de lichtspeling, leeft en metamorfoseert het glaspaneel voortdurend.
Naast afzonderlijke glaspanelen, waarbij de glaskunstenares geen idee heeft voor wie of welke ruimte ze bestemd zijn, zijn er de integraties in architectonische concepten waarbij het streven naar harmonische integratie resulteert in de uitdrukking van haar persoonlijk aanvoelen hoe een glasraam zal inspelen op een ruimte.

Mijn goeie vriend Hugo Brutin schreef over Marie-Paule “ Op heel geraffineerde manier bewerkt de kunstenares haar glas alsof het een etsplaat was of een blad papier, zodat het licht op ongewone manier haar oeuvre benadert. Het is echter niet alleen de heel eigen schittering van haar kleuren en de huid van haar vlakten van glas die zowat iedere aandachtige kijker moet boeien, maar ook de grafiek van haar beschreven blad van glas. Daarmee bedoelen wij de lijnvoering en het motief dat in ieder van haar werken verbaast en doet denken aan het oeuvre van een lyrische constructivist. Zowel het totaalbeeld als elk detail straalt een verrassende persoonlijkheid en een geest van vernieuwing uit…”
Andere woorden kunnen haar oeuvre niet beter typeren. Ikzelf noemde haar werk ooit een tover van glas en licht. Wie deze betoverende speelsheid van glas en lood van nabij wil meemaken kan ik een bezoek aan haar glasatelier en galerij, geprangd tussen het MDD en het Museum Leon De Smet, aan de Deurlese Museumlaan ten stelligste aanbevelen.

Indiana Robert

LovewintBorn in 1928 at New Castle, Indiana, as Robert Clark. Between 1945 and 1948 he studied at art schools in Indianapolis and Utica, and from 1949 to 1953 at the Chicago Art Institute School and the Skowhgan School of Painting and Sculpture, Maine.

In 1953 and 1954 he went to the Edinburgh College of Art and London University, after which he settled in New York. He took up contact with the painters Kelly, Smith and Youngerman. His early works were inspired by traffic signs, automatic amusement machines, commercial stencils and old tradenames. In the early sixties he did sculpture assemblages and developed his style of vivid color surfaces, involving letters, words and numbers.

In 1966 he had exhibitions in Düsseldorf, Eindhoven (Van Abbemuseum), Krefeld (Museum Haus Lange) and Stuttgart (Würtembergische Kunstverein).
He was represented at the Documenta “IV” exhibition, Kassel, in 1968. He became known for his silkscreen prints, posters and sculptures which took the word LOVE as a theme. The brash directness of these works stemmed from their symmetrical arrangements of color and form.

Kitslaar Hans

hans kitslaar portretHet klinkt onwaarschijnlijk, maar 30 jaar nadat kunstcriticus Jan D’Haese en ereburgemeester Raf Van den Abeele hem naar de Latemse Galerij brachten, komt de in Vlaanderen ingeburgerde Nederlander, Hans Kitslaar, terug naar waar alles voor hem begon.
De toenmalige vzw rond de Latemse Galerij ontdekte “de schilder van het licht” in de Gentse galerij “Trefpunt” en wijlen burgemeester de Pesseroey ontdekte zijn oeuvre reeds in 1966 en wel in de kleinste, maar charmantste, galerij van het kunstenaarsdorp, “Deurlica”.
Daar werd hij de hemel ingeschreven door Jan D’Haese, eminent maar uiterst kritisch kunstrecensent.
Het is of Hans Kitslaar nooit uit het Leiedorp weggeweest is. Zijn werk evolueerde onvermijdelijk, maar de variatie in themathiek en techniek zorgen ervoor dat de kunstliefhebber een kunstenaar (her)ontdekt die in een warme koloriet, vol licht en met vaste, maar speelse hand de natuur en het volkse in al hun facetten op doek en papier vereeuwigt.

Hans KITSLAAR werd geboren te Roermond in 1944. Na zijn Middelbare Studies volgde hij de lessen aan de Maastrichtse Academie, afdeling toegepaste kunst, waar hij de Sint Lukasprijs in de wacht sleepte. Gedreven door de kunst ging hij zich vervolmaken aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen waar hij Rik Slabbinck als mentor had.
Na een korte zwerftocht doorheen Vlaanderen, vestigde hij zich eerst in Gent om later zijn atelier te bouwen in het nog landelijke Lochristi.
Zijn vriend Walter De Buck bracht, in 1966, zijn werk voor het eerst naar het publiek met de vzw Trefpunt, aan het Gentse Sint-Jacobs.
Het nagelaten oeuvre uit die beginperiode had eerder een expressionistische benadering.
Later zou Kitslaar milder worden in lijn en kleuren. Zijn doeken waren meer een osmose van intimisme en post-impressionisme, maar in een heel eigen, obstinate benadering van mens en natuur. De strakke vormgeving vervaagde in een haast lyrische veruiterlijking van het alledaagse landelijke leven, bloemen en figuren.
Thans gaat zijn voorkeur uit naar de studie van de bloem in al haar grandeur en schoonheid.
De “macrovisie” op bloemsoorten als Irissen, Leeuwenbekken en papavers zijn zowel hyperrealistische benaderingen van zijn uitverkoren thema, als lyrisch-abstracte landschappen.
Deze analyse klinkt misschien absurd, maar bij nader toezien zal de kunstliefhebber mijn merkwaardige visie zonder enige twijfel kunnen beamen.

Hans Kitslaar is het spel van licht en tonaliteit geenszins verleerd. Integendeel, hij maakt handig gebruik van zijn pastelkrijtjes en is guller geworden met de verf. Zijn tedere pasteltinten zijn bij de landschappen en figuren flink harder geworden en geven het werk een nog grotere uitstraling. Op doek blijft hij wat karig met de verf omspringen en als canvas houdt hij het bij zijn voorkeur voor een ruwe structuur, waar hij met flinterdunne transparanten het licht laat spelen in een lyrisch benaderde mathematische opbouw.
Achter de pastels en olieverven van Hans Kitslaar steekt de ziel van een subtiel tekenaar, die in zijn oeuvre steeds op zoek zal blijven naar dat ultieme thema.
Een zoektocht tot de eeuwigheid…
Boerenfiguren blijven hem nog steeds boeien en hij is één van de weinige schilders die deze ruwe bonken, verweerd door de landarbeid en het boerenleven, kan typeren. Helaas, het rurale verdwijnt langzaam maar zeker uit onze Vlaamse contreien en ook de tendens in de kunstmarkt ligt anders.
Hyperrealisme, post-impressionisme en romantiek ruimen vaak plaats voor een meer geabstraheerde kunstvorm. Dat merkt ook een kunstenaarsziel als Hans Kitslaar. Als artiest wil hij een zekere afstand bewaren tot het té commerciële aspect en dat toont hij duidelijk aan met sublieme uitvergrotingen van bloemen en planten, thema’s die hem op die hedendaagse kunstscène van De Lage Landen een aparte stek bezorgen.

kitslaar paard

Werken in permanentie in het atelier: Hoekskensstraat 126, 9080 Lochristi – Tel. (09 356 70 62)
Webstek: http://www.kitslaar.be – mailadres: hans.kitslaar@skynet.be

Hk_036

Lebeau Philippe

philippe-lebeauToen in het midden van de jaren vijftig, als reactie op het absbract expressionisme, met vernieuwers als Jackson Pollock, Willem de Kooning, Hans Hartung en Georges Mathieu, een nieuwe strekking ontstond, die in de jaren zestig de wereld veroverde met protagonisten Andy Warhol, Roy Lichtenstein, Robert Indiana, Tom Wesselmann en deze lichting door de Engelse kunstriticus Lawrence Alloway, de naam Pop Art meekreeg, zal het bij een jonge kunstenaar als Philippe LEBEAU geenszins opgekomen zijn, dat hij ooit in die richting zou worden geduwd.

Het oeuvre van Philippe LEBEAU wil niet samengevat worden onder één noemer. Er zit meer in dan het alleen maar op canvas vastleggen van gebruiksvoorwerpen, massamedia, banale dingen uit onze oververzadigde consumptiemaatschappij. Het werk bevat een ondertoon, een filosofie waarmee de kunstenaar dat alledaagse en de veramerikanisering van onze Europese samenleving probeert te relativeren, te verklaren, aan de kaak te stellen en op een ongewone manier over te brengen aan gelijkgestemden.

Philippe LEBEAU is een product van de « Ecole Supérieure des Beaux-Arts St-Luc van Luik, waar hij zich vervolmaakte in grafiek en schilderkunst. Heel eventjes bewandelde hij, gedreven door zijn bewondering voor Salvador Dali, de paden van het surrealisme. In 1981 kwam er echter een totale ommekeer. Een onverhoopte reis naar de Verenigde Staten bracht hem in contact met The American Dream. De Amerikaanse levensstijl, die ongedwongen manier van bewegen en zijn, die onuitputtelijke verbeeldingskracht van een volk op zoek naar een eigen cultuur, dreef hem tot de musea en culturele centra, waar hij gefascineerd werd door de diversiteit en de relativeitszin van de Pop-Art. Het oeuvre van Christo, Rauschenberg en Warhol, liet hem niet meer los en inspireerde hem onweerlegbaar bij zijn zoektocht naar een eigen, geijkte stijl, die, na een persoonlijke ontmoeting met SMAK-directeur Jan Hoet, uitgroeide tot een steeds herkenbare, sfeervolle, frisse schriftuur, met ludieke of sterk filosofische ondertonen. Amerika, Dokumenta en Hoet hadden Philippe LEBEAU op het juiste spoor gebracht.

Monografie

Monografie

In 1987 verzamelde LEBEAU, in de toenmalige Galerij Pantheon te Knokke, een fijnzinnige reeks werken die sfeer en de ervaringen bij zijn veelvuldige Amerika-reizen op subtiele wijze weerspiegelde. De tentoonstelling « From Coast to Coast » was dan ook uiterst succesvol en Lebeau kreeg er het bezoek van George MATHIEU, filosoof, lid van de Académie Française en één der meest gerenommeerde abstractschilders van Frankrijk. De lovende woorden die MATHIEU toen neerschreef werden de inleiding van de cataloog voor Lebeaus nieuwe tentoonstelling « Good Morning America » in 1989.
Dit evenement zou zijn artistieke doorbraak bevestigen. De kunstenaar had een eigen weg gevonden. Geïnspireerd door de sterk gepersonaliseerde nummerplaten – verschillend van staat tot staat – en het op een hyperrealistisch weergeven van de Amerikaanse fantasie, kitscherigheid en vindingrijkheid, maakte hij zijn vernieuwde oeuvre tot de kroniek van zijn trektochten door het nieuwe continent. Omwille van die « veramerikanisering », die hij in Europa meer en meer zag groeien, abstraheerde hij sommige elementen om zo, als het ware, de invasie van het Amerikaans gedachtegoed in te dijken en aan banden te leggen.

Toch kwam LEBEAU niet meer uit de ban van de « American Dream ». Hij raakte in vervoering door het oeuvre van ARMAN en Roberto LONGO, maar enkele ontmoetingen met de Amerikaans-Bulgaarse inpakkunstenaar CHRISTO en de bewondering voor diens projecten, brachten hem op nieuwe wegen.
Zijn werk werd driedimensioneel en resulteerde in een nieuwe cyclus die als het ware een osmose werd tussen fotorealistische- en hyperrealistische schilderkunst waarbij de integratie van recyclage-, verpakkings- en consumptiemateriaal voor het compositorisch evenwicht moest zorgen.
De cycli volgden mekaar heel snel op. Twee jaar later escaleerde de fantasie van een onrustige kunstenaar en zijn passie voor de media in een reeks werken waar de « wereldkranten » en hun « headlines » of hun « scoops » het thema vormden van een tentoonstelling « Hot Headline News ».

philippe lebeau artwoodSindsdien is Philippe LEBEAU zijn eigen artistieke wereld blijven opbouwen, steeds nauw verbonden aan de Amerikaanse cultuur. Hij verwerkt de oude Indiaanse gebruiken, de diepe wonden van het slavendom, het bombastische etiquette van de elitaire US-burger in contrast met het alledaagse, soms banale van de consumptiemaatschappij en de doorsnee-hamburgercultuur van de gewone man.

Met andere woorden – of liever met een picturale vaardigheid – vereeuwigt Philippe LEBEAU realiteit en relativiteit door middel van een bezadigde, ludieke benadering van de kunst in al zijn vorm en kleur.
Hij is en blijft een kunstenaar die de perfectie nastreeft, maar die ze af en toe – heel bewust – even vervormt en geweld aandoet om er de nadruk op te leggen dat niks perfect kan zijn.
Zijn werk getuigt van een eeuwig optimisme en een onverzadigbare drang om steeds vernieuwing te brengen. Het merkwaardige in het totaaloeuvre van LEBEAU is het feit dat er een rechtlijnigheid is, een rode draad die steeds terugkomt, met name zijn liefde voor Amerika en die passie voor het verhalen van zijn reisindrukken, met een scherp oog voor detail en een diepgaande eigen filosofische benadering…

'Chicken Soup'

‘Chicken Soup’

Pictures by courtesy of Philippe Lebeau

Lorré Jackie

DE JAPANSE VILTSTIFT VAN JACKIE LORRÉ

jackie lorré portretWie Sint-Martens-Latem zegt denkt ongetwijfeld aan het groots verleden van het Leiedorp met de schilders van de Latemse School en de schrijvers, dichters en musici errond. Dit denkbeeld zal wellicht nooit tanen, hoewel sinds de jongste editie van de «Open Atelier Weekends» wat meer interesse is ontstaan rond de beeldende kunstenaars die er momenteel leven en werken. Deze merkwaardige ommezwaai kwam er dank zij een vruchtbare samenwerking tussen een groep kunstenaars rond Piet Bekaert, enkele leden van de Vereniging van Latemse Kunstenaars en de Gemeentelijke Raad voor Cultuur. Bij dit tweejaarlijkse evenement ondekten we heel wat kunstenaars met artisticiteit, maturiteit en vernieuwing. Eén van hen is Jackie Lorré, die al sinds de jaren zeventig in dit circuit meedraait en een ietwat bijzondere schriftuur meegeeft aan de figuratieve tekenkunst.

Geboren te Gent in 1944 behoort hij toch tot de jongste op de hedendaagse kunstscène in Sint-Martens-Latem en dit in een vrij miskende discipline als de tekenkunst. Als leerling aan de Koninklijke Gentse Academie voor Schone Kunsten studeerde hij, naast tekenen, sierkunsten en bouwkunde. Hij kwam er, samen met Pjeero Robjee, op aanraden van de Gentse kunstenaar en criticus Alfons De Vogelaere.

Winters Boszicht

Winters Boszicht

Ondanks het feit dat hij ook met olie en acryl penseelvaardig was, zocht Lorré onmiddellijk zijn weg in de tekenkunst. In zijn prille beginperiode experimenteerde hij, ingegeven door het oeuvre van Michel Seuphor, met de geometrische abstractie en het constructivisme. Hij ontdekte echter snel dat voor hem de toekomst weggelegd was bij het landschapstekenen en het archiveren van de grilligheid van de natuur en het architectonisch erfgoed in het Vlaamse land. Voor hem blijft de pure tekenkunst in zwart-wit de voornaamste expressievorm. Tekenen is de basis van de beeldende kunst en zal dat ook blijven. Zelfs een conceptueel kunstenaar schetst eerst de opstelling van een installatie of de lijnen van een object…
Jackie Lorré werkt vooral met zuurvrij Cansonkarton. Deze ruwe ondergrond schept onuitputtelijke mogelijkheden om met perspectief, licht en schaduw te spelen. Dit soort karton geeft als het ware een derde dimensie aan de tekening en laat de kijker toe zich virtueel in het landschap te laten opnemen. De compositie is steeds opgebouwd in een wirwar van stippen, lijnen en krullen van contépotlood, houtskool of oilstick, maar bovenal van zijn onafscheidelijke Japanse viltstift. De kunstenaar omschrijft zijn oeuvre als een emotionele, natuurlijke weergave van abstracte bewegingen die in hun geheel een uiterst figuratieve en romantisch-intimistische uitstraling krijgen. Heel zelden brengt Jackie Lorré kleur aan in zijn composities. Wanneer hij dat wel doet is het om extra accenten te leggen op de thematiek en dan gebruikt hij vooral geconcentreerde aquarelverf, verdund of onverdund, naargelang het gevoel dat hij die inkleuring wil meegeven. Kunst zit de familie in het bloed want zijn zus Gina Lorré is een begaafde aquarelkunstenares verbonden aan het ‘Latems Creatief’, de Latemse ‘kunstacademie’ ontstaan uit de Latemse Teken en Schilderschool van wijlen kunstschilder Eduard De Clercq.

Zicht op Bourgoyen

Zicht op Bourgoyen

Naast het maken van tekeningen waagt Jackie Lorré soms een overstapje naar de acrylverf waarmee hij dan macrorealistische bloemen of natuurelementen op het canvas brengt. Een thema en techniek die hij eveneens meesterlijk beheerst, maar die hem toch niet weghaalt bij zijn grote liefde, het zwart-wit tekenen.
Jackie Lorré maakt deel uit van een groep kunstenaars die zich onder de vleugels van de vereniging Euro-Art profileert als promotor van het oeuvre van de “levende schilders”, die actief zijn in de gerenommeerde kunstenaarsdorpen als o.a.Barbizon, Laren, Oosterbeek, Worpswede, Tervuren en uiteraard ook Sint-Martens-Latem. Hij is -heel bewust – nooit in het commercieel circuit gestapt en desondanks werd hij mettertijd een gewaardeerd kunstenaar, wiens werk deeluitmaakt van talrijke privé-verzamelingen in binnen- en buitenland.

Hij werd geselecteerd voor de Gaverprijs te Waregem, voor de Provinciale Prijs in de Gentse Sint-Pietersabdij, de tentoonstelling Latemse Kunstenaars te Antwerpen en in Ronse. Binnen Euro-Art exposeerde hij in het Parijse “La Défense”, Barbizon en Oosterbeek. Naast deze selecties had Jackie Lorré talrijke tentoonstellingen in binnen- en buitenland. Toch verlangt hij steeds weer naar de tweejaarlijkse “Open Atelier Weekends” in het eigen dorp, waarbij de kunstliefhebber nauwer betrokken wordt bij de creativiteit van de kunstenaar en kan kennismaken met het hoe en waar een kunstwerk geschapen wordt.
Jackie Lorré is in de eerste plaats en gevoelsmens, die op een haast nostalgische wijze het landschap archiveert en het met een hem eigen, steeds herkenbare schriftuur visualiseert voor het nageslacht.

Info en atelier: Guido Gezellestraat 6 te Sint-Martens Latem, tel 09 282 35 00

Lucas

“Art Brut betreft werken, gemaakt door mensen die niet beschadigd zijn door de artistieke cultuur en voor wie nabootsing vrijwel geen rol speelt. Zij halen alles, onderwerp, materiaalkeuze, taal, ritmiek en handschrift uit hun eigen innerlijk, en niet uit conventies van de klassieke kunst of de kunst die toevallig in de mode is.
We zien hier de volkomen zuivere artistieke creatie, een rauwe kunst, in al zijn facetten ontstaan uit de eigen impulsen van de maker.”

P1120851Lucas (Luc Van Parys) kan beschouwd worden als een van die echte ‘primitieven’ in de complexe wereld van de teken- en schilderkunst. Hij dweept met Cobra en Art Brut als een schilderfilosoof van wie het werk niet beter begrepen kan worden met behulp van de gebruikelijke kunstkritiek. Zijn schilderijen staan los van de artistieke uitdrukkingswijze van het loutere figuratieve en kunnen niet op overtuigende wijze besproken worden in het gangbare woordenschat van de doorsnee waarden in de kunst.
Zijn werk wordt dikwijls bewonderd door de liefhebbers of toevallige kijkers en voor eenmaal lijkt de dooddoener: ‘ik weet niets over kunst, maar ik weet wat ik mooi vind’ op te gaan voor de imaginaire wereld van Lucas, die niet ontkent een onmetelijke bewondering te hebben voor wereldkunstenaars als Joan Miro, Dubuffet, Doucet, Corneille en Pierre Alechinsky. Dichter bij ons ontgaat het mij niet dat hij een grote ‘compliciteit’ met het gedachtegoed van Willem Van Hecke, Jan Cobbaert en Rigobert Haeck niet kan maskeren.
Mensen, inclusief de critici, schijnen instinctief te reageren. Beargumenteerde kritiek of interpretatie lijkt, althans op het eerste gezicht, niet ter zake.
Het merendeel van zijn werk is vaak op niet eens geprepareerd papier geschilderd. Meestal neemt hij het eerste het beste dat hem voor de hand komt en dat kan tekenbladen, aquarelpapier, kladblokken, karton of bij uitzondering handgeschept papier zijn waar hij dan door de ruwe vezels een derde dimensie aan zijn oeuvre kan toevoegen. Hij verwoordt zijn emoties en impressies dan ook met wat hij toevallig binnen handbereik heeft. Materialen als Oost-Indische inkt, waterverf, gouache, teken- en kleurpotloden en acryl zijn erg geliefd door de kunstenaar.
Gedreven door het spontane wil hij – naar zijn normen – op een waarachtige manier beelden scheppen. Hij lijkt gefascineerd door de oorspronkelijke kunstvorm Art Brut: rauwe, spontane kunst.
Art Brut is een term die de Franse beeldend kunstenaar Jean Dubuffet introduceerde in 1945. Hij gebruikte deze term voor archaïsche beelden, eerlijke autodidactenkunst en dit is wat Lucas weergeeft, vaak ook nijgend naar de ‘Art Informel’ en met een knipoog naar de cobrakunst.
Het Franse woord ‘informel’ dient in dit verband eerder als ‘vormloos’ dan als ‘informeel’ te worden opgevat. In de jaren vijftig zochten de kunstenaars van deze stroming naar een nieuwe manier om beelden te scheppen zonder gebruik te maken van herkenbare vormen, zoals hun voorgangers dat hadden gedaan (kubisten en expressionisten). Hun streven was erop gericht een nieuwe artistieke taal en schriftuur te ontdekken. Ze bedachten vormen, figuren en werkwijzen die al improviserend ontstonden.
Het werk van de art-informelkunstenaars is uiterst gevarieerd, maar komt overeen in de toepassing van de vrije penseelvoering. Evenals het abstract expressionisme dat zich in Amerika ontwikkelde, is art informel een zeer ruime begripsaanduiding waaronder zowel figuratieve als non figuratieve schilders gevat kunnen worden. Hoewel de stroming hoofdzakelijk in Parijs werd gelokaliseerd, reikte de invloed ervan ook naar andere delen van Europa en dus ook naar Vlaanderen.
De beeldende kunst na l945 toont de samenhang met het wereldgebeuren van toen: vreugde, onzekerheid, dreiging, woede en de behoefte aan stilte en bezinning. In Europa waren het de schilders van de Cobra, die een nieuw, heftig gebaar maakten of het doek bijna destructief, vormloos behandelden. De verstilling is er dan weer bij Serge Poliakoff en andere esthetici van de École de Paris, voorbeelden van actie en mysterie. Men zocht naar de essentie, naar het meest wezenlijke. De kunst van de ‘primitieven’, de volkskunst, de art brut, un art autre, in de ogen van velen een brutaliseren van het voorafgaande, werden voor kunstenaars rijke inspiratiebronnen.
In die laatste richting – un art autre – is Lucas op weg gegaan vanuit de houtskool en het potlood evoluerend naar pastel, gouache, aquarel en acryl. Hij startte zijn schildercarrière met een rijke waaier aan kunst- en cultuurkennis of nagebleven impressies na vooral musea – en galeriebezoek.
Zo kwam hij ook in aanraking met de kunstvormen van buiten-Europese culturen, van Afrika en zelfs het Oceanië van de Aboriginals.
Vanuit die visie op de wereld bereikt de ‘monde imaginaire’ van zijn creaties een geheimzinnige sfeer die vooral aanwezig is in de ‘groepen’, die ons zwijgend en soms dreigend met een ‘ander soort’ wezens confronteren.

Lucas heeft in het braakliggende terrein van de hedendaagse, moderne kunst een eigen ‘handschrift’ ontwikkeld dat verbonden blijft met de rode draad van de kunst door alle eeuwen heen. Zijn werk verbeeldt niet zozeer de mens, maar veeleer zijn emoties en zijn reactie op die bevreemdende wereld om hem heen.
Het lovenswaardige is dat de kunstenaar zoveel mogelijkheden en variaties heeft gecreëerd binnen een kunstwereld waar alles reeds leek te zijn uitgevonden, zonder zich te laten leiden door de immense stromingen die er van l945 tot nu in de kunst zijn ontstaan – en weggeëbd – maar op zijn plek en met de hem geliefde materialen blijft doorwerken op zijn eigen obstinate manier…
Lucas schetst het meest wezenlijke van de kunst: geen esthetica, geen oogstrelende schoonheid, maar het herscheppen van emoties, gevoelens, gedachten…

the invaders Lucas

‘Invaders’

Portfolio: