Categorie archief: M-Q

Pavlos

 

Dionyssopoulos Pavlos werd in 1930 in het Griekse Filiatra geboren. In 1949 slaagde hij voor het ingangsexamen aan L’Ecole des Beaux Arts van Parijs. Hij kreeg er tijdens zijn opleiding in 1954 verschillende beurzen om zijn studies in Parijs verder te blijven zetten. Als hij op het einde van de jaren ‘50 beslist zich definitief in Parijs te vestigen, ontdekt hij er de stad van de ‘nieuwe realisten’.

Hij trekt er op  met Calder, Giacometti maar ook met César, Yves Klein en hun mentor Pierre Restany. Zijn atelier aan de rue de Vaugirard ligt pal tegenover die van Dubuffet. Deze nieuwe stedelijke omgeving is voor Pavlos het signaal om de schilderkunst achter zich te laten. Zo komt hij tot het gebruik van zijn typische techniek met versnipperde affiches en inpakpapier.
Hij speelt in op de effecten van de densiteit, de kleuren en de reliëfs bij het kleven van de papiersnippers die hij gebruikt. Zo  gaat hij met passie aan het werk, de interne logica van zijn materiaal volgend en vindt hij een essentieel onderdeel van de hem kenmerkende artistieke taal. Deze aanpak onderscheidt zijn oeuvre van dit van de toenmalige ‘affichisten’ als Hains, Villéglé en Rotella. Zo wordt Pavlos in 1963 opgemerkt in de salon des Réalités Nouvelles door Pierre Restany, de grote inspirator en theoreticus van de groep van de Nieuwe Realisten. Maar het werk van Pavlos evolueert snel. De kunstenaar verlaat de weg van de abstractie en de barok om de mogelijkheden van een nieuwe expressiviteit te verkennen. Deze ontmoeting opent nieuwe perspectieven en zal de oriëntaties van zijn toekomstige werk bepalen.

 

 

 

 

 

 

Door met zijn papierstroken de vorm van alledaagse objecten te suggereren, gaat Pavlos weg van het Nieuwe Realisme en komt hij dichter bij Pop Art. Hij blijft echter een vrije elektron in de kunstwereld en sluit zich bij geen enkele kunstbeweging aan.

Pavlos reconstrueert de alledaagse voorwerpen: shirts, dassen, sigaretten, flessen, fruit. Hij brengt de wereld kleur en lichtheid.

Na een eerbetoon aan American Pop Art (Galerie Laurent Strouk 2005), een eerbetoon aan de Italiaanse cinema (Gallery Guy Pieters 2008) brengt Pavlos vandaag hulde aan Superhelden, (2013 Galerie Laurent Strouk), Catwoman, Superman, Batman en Captain America…

 

Advertenties

Mara, Pol

mara polDe Antwerpse schilder Pol Mara (Borgerhout 1920 – 1998) verwierf vooral bekendheid met de doeken die hij vanaf de late jaren 1960 maakte: figuratieve werken op groot formaat, in gemengde technieken, waarin veelal de schoonheid van jonge vrouwen centraal staat.
Voordat hij deze herkenbare stijl ontwikkelde had hij echter al een lange en boeiende weg afgelegd.
Als Leopold Leysen werd hij in Antwerpen geboren. In deze stad studeerde hij van 1935 tot 1948 aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten en aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten.

 

In datzelfde jaar 1948 huwde hij met Maria Coninckx, die hem de rest van zijn carrière met hart en ziel zou ondersteunen. Zij zorgde er steeds voor dat de administratieve rompslomp in orde kwam en dat de contacten geregeld werden, zodat Mara ongestoord kon werken.
Al van zijn twintigste was Mara als kunstenaar actief. Door oorlogsperikelen, zijn studies aan het Hoger Instituut, een opleiding in de handelswetenschappen en de periodes dat hij moest uit werken gaan om geld in het laatje te brengen, heeft hij zich pas in de late jaren veertig volledig op ‘de kunst’ kunnen toeleggen.
Deze wilskracht en zijn passie voor de kunst werd beloond met erkenning en een schitterende internationale carrière in de kunstwereld.
Na zijn opleiding aan de Antwerpse Academie en aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten volgde eerst een korte neo-expressionistische periode. Vrij snel evolueerde hij echter naar een stijl die doorgaans wordt omschreven als de periode van de ‘maanhoofdjes’. Opmerkelijk zijn vooral de met bic op papier getekende taferelen, die hij in die jaren maakte. Langzaamaan verdween het figuratieve uit zijn werk en werd Mara een van de voortrekkers van de abstracte schilderkunst in België. Zo was hij in 1958 een van de medeoprichters van de avant-gardegroep ‘G58-Hessenhuis’. Pas halverwege de jaren zestig nam Pol Mara opnieuw figuratieve elementen op in zijn doeken. Deze evolutie zou later leiden tot de typerende, zeer uitgesproken stijl waarvan Mara zijn handelsmerk zou maken. mara p

De retrospectieve in het Antwerpse provinciehuis omvat voornamelijk werk uit Mara’s persoonlijke verzameling – beheerd door zijn weduwe – en uit de collectie van het ‘Museum Pol Mara’ dat in 1997 te Gordes, op veertig kilometer van Avignon in het Franse Vaucluse, werd geopend.
Deze collectie is aangevuld met enkele stukken uit privé-verzamelingen en uit het kunstpatrimonium van het Antwerpse provinciebestuur. Naast een compleet overzicht van het artistieke oeuvre van de kunstenaar wordt er ook ruim aandacht besteed aan de ontwerpen en het grafische werk dat Mara produceerde, onder meer voor affiches en boekcovers.
De rest van zijn leven wijdde hij zich volledig aan de schilderkunst, en doorheen de decennia slaagde hij er telkens in om eigen indrukwekkende stijlen te creëren die telkens de nodige mara_musee Gordesaandacht en bewondering kregen.

Pol Mara nam deel aan talloze groepstentoonstellingen en had individuele exposities in alle uithoeken van ons land, maar ook van de wereld: Van Antwerpen, Brussel, Gent tot Amsterdam, Parijs, Keulen, Madrid, Milaan, Rome maar ook in andere continenten, zoals in Tel Aviv, Washington DC, New York, Mexico en Kinshasa. Verder werden er tijdens zijn leven al enkele retrospectieve tentoonstellingen georganiseerd, waaronder een aantal naar aanleiding van zijn 70ste verjaardag. Heel wat van zijn werken vinden we nog steeds in binnen –en buitenland, in musea en openbare verzamelingen.

Museum Pol Mara in Gordes (F)

mara-pol-leopold-leysen-1920-1-hello-2453957

(photo credits Galerie De Vuyst)

Nikifor

Nikifor

Nikifor Krynicki ,Krynica Zdrój, 21 mei 1895 – Folusz (gemeente Dębowiec), 10 oktober 1968)-was een dakloze Poolse schilder van naïeve kunst.

Hij behoorde tot de gediscrimineerde etnische minderheid der Lemken en groeide op in armoede. Zijn moeder was Jewdokia Drowniak, dochter van Hryhorio en Tatiana die van haar meisjesnaam Krynicka heette. Jewdokia verrichtte zeer nederig werk in de vele pensions van Krynica en leefde met haar kind in afzondering. Er werd gezegd dat ze haar kind als een bundeltje achterliet onder de brug als ze uit werken ging.
Zijn vader was onbekend, naar veronderstelling was hij een Pool en een van de vele kunstenaars die in villa ‘Drie Rozen’ verbleven, het grootste logement in Krynica.

Tijdens WO I werd hij wees. Nikifor had een gehoor- en een spraakgebrek en was niet in staat behoorlijk te communiceren. In zijn omgeving werd hij vernederd, uitgelachen en behandeld als een dwaas.
Pas veel later werd ontdekt dat zijn spraakproblemen werden veroorzaakt door een vastgegroeide tong. Hij was dakloos en aanvankelijk hield hij zich met bedelen in leven.
Tijdens een verblijf in een ziekenhuis maakte hij kennis met aquarelleren.

Nikifor1981_01NikiforOmstreeks 1915 begon hij te schilderen. Hij beschilderde stukken weggeworpen papier en sigarettenpakjes die hij aan voorbijgangers verkocht in het kuuroord Krynica Zdrój.
Hij noemde zichzelf Nikifor Matejko, een verwijzing naar de beroemde Poolse kunstenaar Jan Matejko, waarmee hij benadrukte hoezeer hij zichzelf als professioneel kunstenaar zag.
Als autodidact gebruikte hij een verscheidenheid aan materialen, waaronder aquarel, gouache en krijt.
Zijn eerste voorbeelden waren goedkope ansichtkaarten en iconen van de Grieks-katholieke kerk. Hij maakte afbeeldingen van het platteland of van uiterst gedetailleerde gebouwen. Aan de onderkant van de afbeeldingen staan vaak inscripties die niets betekenen, maar de suggestie van geletterdheid moeten wekken. In werkelijkheid was hij analfabeet of laaggeletterd.

nikifor-obrazNikifor was dan wel een ‘straatschilder’ en autodidact maar hij had ongetwijfeld  een aangeboren kunstgevoel.
Dankzij het echtpaar Ella en Andrzej Banach, kunsthistorici uit Krakau, kreeg het werk van Nikifor  het aanzien dat het verdiende. Door hun gedrevenheid en mecenaat circuleerden zijn schilderijen als deel van de Poolse en Europese kunst wereldwijd. In 1959 opende een tentoonstelling in de Parijse galerieDina Vierny de deuren voor succes. In 1967 werd hij geëerd met een solotentoonstelling in de Zachety Galerie in Warschau.

Tijdens zijn leven was er toch wel een gematigde vorm van erkenning. Voor WO II werd zijn werk tentoongesteld in verschillende Europese hoofdsteden maar Nikifor kreeg pas de verdiende faam en populariteit  in het laatste decennium van zijn leven. Verschillende musea en privécollecties wereldwijd hebben zijn werk in hun collectie.

www.youtube.com/watch?v=Jlyl0Q6UuPU

Nikifor overleed op 10 oktober 1968 in het sanatorium van Folusz. Hij werd begraven op de begraafplaats van Krynica.

 

Maghien (Le) – Maghe Didier

MAGHIËRS BRENGEN HOOP EN VERLICHTING

maghien portretSinds 1999 is Didier Maghe in de ban van het universum van de Maghiërs. Door deze imaginaire wezens openbaart zich een  wereld  puur en vol licht. Zwevend als engelen willen deze wonderlijke figuren via hun positieve signalen  de aardbewoners tot verdraagzaamheid bewegen en hun fysische en psychische ongemakken helen . Lichaam en geest van Maghiërs zijn vederlicht maar toch zo gevuld . De energie die ze uit de kosmos ontvangen, geven ze in veelvoud terug. Zelf leiden ze een zorgeloos bestaan want alles aan Maghiërs  is positief.
Ze willen eenieder gelukkig zien. Maghiërs verplaatsen zich door middel van stralingen in het heelal. Ze houden van reizen. Een snelheid die vaak deze van het licht overschrijdt brengt hen naar het aardse wezen dat,door hun antennes gecapteerde signalen, nood heeft aan kracht en weerbaarheid. Het is hun missie daar verlichting te brengen waar  iets fout loopt.

maghien 1Maghiërs zijn niet gebonden aan strikte leefregels of wetten. Precies daardoor zijn ze vrij van zorgen en stralen ze met grote gulheid optimisme uit. Hun motto is te vatten in één uitdrukking: respect hebben voor elkaar. Jaloersheid en afgunst kennen ze niet. Dat maakt hun ‘zijn’ zo eenvoudig. Hun leven is oneindig, zo ook hun kracht. Hun leefwereld is voor wie niet in hun mythische, helende kracht gelooft, imaginair. Wie in hun verhaal meegaat zal zich snel aan de Maghiërs optrekken en hun rust en energie tot zich nemen. Zo komen lichaam en geest opnieuw in balans en gaat een mens zich gelukkig voelen en bevrijd weten van zorg en kommer.

Didier Maghe noemt zich niet hun geestelijke vader maar eerder  een geestesgenoot. Hij gaf ze een plastische  vorm en visualiseerde hun ‘bestaan’. Precies omdat hij deels werelds is  maar ook deels  Maghiër blijft de kracht van deze guitige wezens groeien en mist ze haar uitwerking niet.
Als de Maghiër een glimlach van vreugde of verwondering  uitlokt, is zijn missie grotendeels geslaagd.
Dit gevoel krijg je bij het aanschouwen en betasten van deze wonderlijke schepsels die de planetaire bevolking, lichtjaren van elkaar verwijderd,  gelukkig willen zien. Zoals bij eender welke beleving van geloof moet je je hier ook  laten meedrijven op hun wolken en openstaan voor hun magie. Eens je je in hun verhaal plaatst, ga je het leven relativeren en word je vrolijk en ontspannen.
In vloeiende, esthetische vormen ontstaat met deze creaties een wereld die het midden houdt tussen verbeelding en realiteit. Een universum bevolkt door wezens die teren op gevoel en levenskwaliteit .
Is hij werkelijk de vrucht van verbeelding en idolatrie? Ja en neen. De Maghiër brengt zijn troostende en helende kracht over naar wie in hem gelooft en zich aan zijn  fysieke aanwezigheid en uitstraling optrekt en er alsmaar beter van wordt  !

maghien Vacances-dété

Paik Nam June

NAM JUNE PAIK: een overzicht van een inventieve carrière

Nam_June_Paik_at_the_Bob_Benhamou_gallery_in_ParisNam June Paik werd op 20 juli 1932 geboren in Seoel en overleed op zondag 19 februari 2006 in zijn woning te Miami.

Onder druk van de oorlog in Korea vlucht de familie Paik in 1949 via Hong Kong naar Tokio, waar hij van 1952 tot 1956 aan de universiteit muziek- en kunstwetenschappen en Westerse esthetica studeert.

In 1957 ontmoet hij Karl-Heinz Stockhausen en het volgende jaar de Amerikaanse componist John Cage.

Het is vooral Cage die Paik diepgaand heeft beïnvloed. In zijn kunst maakte Cage de ideëen van Marcel Duchamp en zijn ‘ready mades’ bekend aan een hele generatie  jonge kunstenaars en performers. Voor het overgrote deel van zijn muziek/video performances werkte de kunstenaar samen met de celliste Charlotte Moorman.

Lang voor hij tot ‘Paus van de videokunst’ wordt gekroond, experimenteert de performer/kunstenaar met weggegooide geluidstapes die hij meeneemt uit de radiostudio’s van de WDR in het Duitse Wuppertal. Tot 1963 hield hij zich hoofdzakelijk bezig met fluxus, muziekcollages en performances, waarbij hij vaak absurd agressief te werk ging. Het meest representatieve voorbeeld uit de periode is ongetwijfeld zijn ‘Hommage to John Cage’ uit 1959 voor geluidsband en piano, waarin de componist de traditionele instrumentatie en compositiepraktijk ter discussie stelde. Het stuk vormt in de carrière van Paik ook een belangrijk breekpunt tussen zijn zuiver muzikale bezigheden en zijn activiteiten als performer/videokunstenaar, een richting waarin hij vanaf 1963 steeds meer zal evolueren.

Heel vroeg in zijn carrière maakte Paik al gebruik van het vrouwelijk lichaam om aan zijn avant-gardistische uitvoeringen van muziek een seksuele lading te geven.

Het vrouwelijk naakt functioneerde, ook bij tal van andere gelijkgestemde kunstenaars,  binnen performances vaak in een niet-geërotiseerde en alledaagse setting. Het vrouwelijk naakt had zo een vervreemdend en zelfs shockerend effect, doordat seksualiteit telkens uit het ‘verboden terrein’ van de erotiek werd gehaald. Aan de publieke ontkleding werd onder invloed van Flower Power en hippiebewegingen een seksueel bevrijdende en antiburgerlijke functie toegeschreven.

‘Exposition of Music-Electronic Television’ (1963) was zijn eerste grote expositie met televisie-toestellen. Deze tentoonstelling was meer dan een uiting van anti-kunst of het dwangmatig streven naar originaliteit in de kunst, het was kritiek op een medium, dat het sociaal leven steeds meer leek te bepalen in plaats van er een meerwaarde aan toe te voegen. Wat Paik vooral ontgoochelde aan het medium televisie was het eenrichtingsverkeer van de communicatie, de kijker had immers geen wederwoord op de voortdurende beeldenstroom die hem van alle kanten leek te bestoken.

Paik behoorde tot de generatie die de ‘invasie’ van de televisie had meegemaakt en er hoge verwachtingen van koesterde. Deze werden geenszins ingelost. Televisie werd in de eerste plaats een middel voor massacommunicatie. Veel van zijn installaties zijn erop gericht om de communicatie met de kijker te herstellen en aldus van het medium een democratischer instrument te maken. Paik zal de technische en creatieve mogelijkheden van televisie uitbuiten, precies om te wijzen op de dreigende vervlakking die het gevolg is van het medium ‘televisie’. Deze vingerwijzing visualiseert hij door op de schermen beelden te projecteren die de kijker tot relativering en contemplatie moeten aanzetten. Enkele voorbeelden:

Onder het motto ‘television tortured the intellectuals for a long time…it is about time that the intellectuals torture television’ bracht hij in de beeldenstroom allerhande vervormingen, vertragingen en verkleuringen aan. Aanvankelijk waren die beeldmanipulaties beperkt, om storingen te veroorzaken werden hoofdzakelijk magneten gebruikt, vanaf 1969 werden zijn mogelijkheden enorm uitgebreid door het gebruik van een ‘videosynthesizer’ die hij samen met de de New Yorkse technicus Shuya Abe had ontwikkeld, een vernuftig instrument dat kleur en vorm vrij makkelijk kon manipuleren.

Nam June Paik Watchdog-II

Vanaf het midden van de jaren ’70 worden zijn installaties steeds omvangrijker en legt Paik meer de nadruk op het sculpturale karakter ervan. Zo realiseert hij in 1986 zijn ‘Family of Robot’ en halfweg de jaren ’90 megalomane videowalls zoals ‘Electronic Superhighway, Continental U.S.’ en ‘Fin de Siècle Man’.

Montigny Jenny

Jenny MONTIGNY (1875-1937)

Montigny websiteJenny Montigny was tot haar twintigste strikt  gebonden aan die typische, strenge burgerlijke opvoeding eigen aan een welgesteld milieu. Van jongs af aan was ze al geboeid door kunst en ze was dan ook vastbesloten alles op alles te zetten om dit doel te bereiken en dat  tegen de wil van haar vader, Louis Charles Montigny, jurist, politicus en later hoogleraar aan de Gentse Universiteit, in . Haar moeder Yohanna Elena Mair was van Engelse afkomst.
Haar grote voorbeeld ontdekte ze eind 1892-begin 1893 in het Gentse Museum voor Schone Kunsten toen  ze vol bewondering stond voor het schilderij ‘De ijsvogels’ van Emile Claus, een kunstwerk  dat pas door de Stad Gent was aangekocht.

Vanaf 1895 trok ze regelmatig naar ‘Villa Zonneschijn’, het atelier van Emile Claus, in Astene om er zijn vrije schilderlessen te volgen.
In 1904 ruilde ze het burgerlijke Gent en koos ze voor een zelfstandig maar onzeker bestaan in Villa Rustoord te Deurle.

Na haar debuut op de Salon van Gent in 1902 exposeerde ze het volgende jaar in Parijs.
Jarenlang maakte ze er grote sier op de tentoonstellingen van de Société des Beaux-Arts.
Die deelname was uiterst succesvol want in 1906 kocht de Franse staat, lang voor een Belgisch museum, een schilderij van haar op de ‘Salon des Indépendants’.

Jenny-Montigny-Returning-to-the-Farm-1906

Jenny Montigny integreerde zich vlot in het eigentijdse kunstleven. Zo was ze actief in de luministische kunstenaarsvereniging ‘ Vie et Lumière’.
Exposeren deed ze vaak in Brussel, o.m. in de Waux-Hall van de ‘Cercle Artistique et Littéraire’ (1904).
In dat vroege werk ontdekte het Gentse tijdschrift La Tribune Artistique al de grote waarde van haar werk: “Laat ons stellen dat alles er jeugd in uitstraalt, illusie, charme, levensvreugde. De lente speelt erin, de zon, het licht, een aangename sfeer, de natuur in feest. Dat ziet, dat begrijpt en zegt deze jeugdige en reeds zeer gedreven kunstenares. Exposeren deed Montigny ook op de driejaarlijkse salons te Antwerpen, Brussel en Gent en daarnaast was ze regelmatig te gast in de Gentse Kunst- en Letterkring.

De Eerste Wereldoorlog bracht ze door in Londen waar ze onder meer actie was in ‘The Womens International Art Club’.

Die oorlogsjaren waren echter financieel rampzalig. Terug in Deurle zag ze zich verplicht haar villa te verkopen. Ze betrok dan een kleiner huisje in de Deurlese Pontstraat maar haar atelier moest ze onderbrengen in de Dorpsstraat. Vlakbij bevond zich de Sint-Jozefschool. Daar kon ze ongestoord haar geliefkoosde onderwerp bestuderen; de ravottende kinderen van Deurle. Jenny_Montigny.Kleuterschool_te_Deurle
De financiële problemen hielden echter aan. Van Emile Claus mocht ze meer dan eens financiële steun ontvangen; na zijn dood kreeg ze ruggensteun van haar zuster. In elk geval geeft deze materiële onzekerheid aan dat in het interbellum nauwelijks kopers voor haar werk te vinden waren. Jenny Montigny verdween tussen de twee wereldoorlogen een beetje uit beeld in de Gentse kunstwereld; aan de tentoonstellingen van de plaatselijke Cercle Artistique et Littéraire nam ze slechts heel sporadisch deel. Brussel bekoorde meer, getuige de herhaalde individuele tentoonstellingen. Montignys tentoonstellingen liepen in de kijker en haar werk werd ook in de ruimere pers zeer goed onthaald.
Van bij haar debuut werd ze door de kunstkritiek als een volgelinge van Claus beschouwd. Inzake stijl eerder een drang naar werkelijkheidsweergave had. Technisch onderscheidde ze zich zeker van Claus. Tegenover het Divisionisme en de analyse van Claus, was haar kunstvisie nogal algemeen en generaliserend. Ze zocht eerder de synthese op. Het was haar meer om een totaalindruk te doen, waarin de verschillende componenten met elkaar versmolten.
Anders dan Claus bezag ze het landschap als een fotograaf die door zijn lens kijkt.
Levensechte beelden dus. Bloemen en struiken verstoren vaak het gezichtsveld. Zo krijgt  de toeschouwer de illusie zich middenin het tafereel te bevinden.
Montigny schilderde in brede, spontane vegen die de synthetische kracht van haar doeken mede tot stand helpen brengen.

In tegenstelling tot Claus vormden de oorlogsjaren  voor Montigny een troosteloze tijd. In deze periode schilderde ze vooral in de omgeving van Hyde Park en de Kensington Gardens.
De grauwe, mistige atmosfeer leek haar op het lijf te zijn geschreven. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Anna De Weert, die andere leerlinge van Claus, heeft ze immers nooit in felle, spetterende kleuren gewerkt. Nog in Londen ontstonden ook interessante etsen.
Terug in België ging ze verder op de weg die ze reeds voor 1914 was ingeslagen.

montigny 1Tekenend voor haar oeuvre is dat Montigny veelal uitgesproken vrouwelijke thema’s veruiterlijkte .
In een cyclus over moeder en kind zette zij de fijnheid en tederheid van haar talent over in een samengaan van licht en vreugde. Ze tilde nooit zwaar aan –ismen. Voor haar telde enkel natuurlijkheid en de spontaniteit.
Interessant is evenzeer dat ze haar thema’s niet op een té vertederende manier bracht en het beeld altijd realistisch weergaf.
Die voorkeur voor menselijke intimiteit deed haar meer en meer van Claus verschillen. Zowel thematisch, technisch en coloristisch sprak ze een totaal andere taal…

Een beetje vereenzaamd van het artistieke milieu overleed ze in 1937 in haar huisje aan de Deurlese Pontstraat.

 

Bronnen: Wikipedia, Oscar Devos, DAC Sint-Martens-Latem

Mahau Michèle

MICHELE MAHAU

 

 

mahau portretGeboren te Zwevegem in 1956 is Michèle Mahau een autodidacte kunstenares die reeds van jongsaf aan het teken- en schildertalent in zich had. Een academische opleiding heeft ze nooit gevolgd. Deze jonge vrouw had gewoon de ziel en de habiliteit van de kunst in de vingers.

Michèle Mahau wachtte geduldig het moment af om met haar oeuvre naar het publiek te komen. mahau pointers

Misschien lag dit deels aan haar sterk introverte persoonlijkheid, maar ik denk eerder dat ze bewust het kunstpubliek op zijn honger liet om enkel op de boot te springen als haar werken de perfectie, die ze steeds nastreeft, benaderden. Deze opportuniteit deed zich voor door contacten met Katy Wieme en Octaaf Meiresonne, die haar in 1994 de weg toonden naar de Kunstkroeg en de toenmalige Vereniging Latemse Kunstenaars.

Hoewel Michèle Mahau als autodidacte beschouwd wordt, verwierf zij toch een zekere opleiding en maturiteit in de kunsthumaniora. Ze is dus zeker geen dilettant, maar een kunstenares die het geduld opbracht naar buiten te treden als, voor haar eigen ego, haar oeuvre klaar was om naar het publiek gebracht te worden. Precies die zelfkritiek blijkt zoek bij talloze andere debutanten of hobbyschilders.

In de eerste plaats is Michèle Mahau een dierenschilder, met een voorliefde voor honden.

mahau disco

 

Ze portretteert ze niet met een lijn, maar sensualiseert de vorm, expressie en schoonheid met licht- en schaduwpartijen, waardoor ze een bijna fotorealistisch portret bekomt, waarin de dieren- of kunstkenner tevens het karakter of de gevoeligheid van het geportretteerde dier moeiteloos kan aflezen. Deze bijzondere uitstraling van haar oeuvre typeert de kunstenares, die zelf uiterst gevoelig en fijnzinnig is en met een nuchtere kijk op het leven en zin voor relativiteit haar eigen weg zoekt in de wereld van de hedendaagse kunst.

Meiresonne Octaaf

'Zelfportret'

‘Zelfportret’

Octaaf Meiresonne werd in 1929 te Gent geboren.
Deze fijnzinnige beeldende kunstenaar woonde en werkte  tot 2013 in een zelf ontworpen en gebouwd landhuis met atelier in de Karel Lodewijk Maenhoutstraat te Sint-Martens-Latem.

Als pastelkunstenaar, kunstschilder en keramieker volgde hij lessen aan de Gentse academie waar hij zich bekwaamde in de sierkunst, tekenen, schilderen en kunstgeschiedenis.
In 1949 werd hij gouden laureaat voor ‘levend model’.
Hij had een vaste baan als stadsambtenaar-decoratieschilder aan de stad Gent.

Als beeldend kunstenaar noemt hij zichzelf autodidact en hobbyschilder.
De jongste decennia legde hij zich vooral toe op het tekenen naar levend model.
Octaaf Meiresonne was gedurende zijn loopbaan ook zeer gepassioneerd door de boetseer- en beeldhouwkunst.

'Rakkertjes'

‘Rakkertjes’

Hij is vooral een schitterende genreschilder die intimiteit en symboliek beoogt en daarenboven een bedreven portret- en landschapsschilder.
Ook animistische taferelen laten hem niet onberoerd. Hij observeerde vaak mensen in kroegen, op markten of in parken, maakte een schets en werkte die dan in zijn atelier uit tot typerende taferelen uit het volksleven.

Het merendeel van zijn oeuvre is puur realistisch met sfeer, bezieling en uitgelezen esthetiek.
Hij wou van schilderkunst een ambacht maken die maturiteit in het vaandel draagt en steeds geleid wordt door gevoel.

'Landelijk'

‘Landelijk’

Hoewel hij een graag gezien lesgever was aan de ‘Latemse Teken- en Schilderschool’ was hij toch enigszins, maar onterecht, verbitterd omdat zijn kunst niet de erkenning kreeg die ze verdiende.
Hij schonk één van zijn religieuze werken, ‘De Judaskus’ aan de Kerkfabriek van Deurle, een gevoelig tafereel dat in de Sint-Aldegondigskerk een ereplaats kreeg.

 

'Stamgasten'

‘Stamgasten’

Minne George

minne george portretGEORGE, Baron MINNE  (Gent, 30 augustus 1866 – Sint-Martens-Latem, 20 februari 1941) werd in Gent geboren als zoon van de landmeter-architect Fredericus Augustus Minne.
Van 1882 tot 1884 was hij leerling van Jean Delvin aan de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten  van Gent. 

Hij werd bevriend met de schrijver Maurice Maeterlinck in 1886, wiens werken ‘Serres Chaudes’ (1888) en ‘Soeur Béatrice’ (1900) hij illustreerde.
In 1890 exposeerde hij bij ‘Les XX’ te Brussel en in 1891 werd hij lid van deze belangrijke kunstenaarsgroep.
In datzelfde jaar trok hij naar Parijs om er Rodin op te zoeken. Hij werd er echter afgewezen.

George Minne was al dertig toen hij nog een jaar, van 1895 tot 1896, cursussen ging volgen aan de Brusselse Academie, bij Charles Van der Stappen.

'Treurende Moeder'

‘Treurende Moeder’

In 1898 vestigde hij zich in Sint-Martens-Latem en nam er de eerste Latemse groep kunstenaars op sleeptouw, de kunstschilders Albijn Van den Abeele, Valerius De Saedeleer, Albert Servaes en Gustave Van de Woestyne. Het werd de groep der mystieke symbolisten.

Kort voor de Eerste Wereldoorlog, in 1912, werd hij leraar aan de Gentse Academie.
Tijdens de oorlog week hij met zijn vrouw uit naar Wales. Na de oorlog trok hij terug naar de Academie, als leraar, tot 1919.
Op 25 april 1931 kreeg hij de titel baron.

Hij werd begraven op het kerkhof van de Sint-Martinuskerk te Sint-Martens-Latem.

Als eerder gezegd werd hij de voortrekker van de Eerste Latemse Groep, de symbolisten.
De thema’s die Minne in zijn symbolistische stijl verwerkte, waren vooral: ascetische jongelingen, de pietà’s en moeder en kind. Samen met Fernand Khnopff en Constant Meunier genoot George Minne tijdens zijn leven internationale erkenning in de kringen van de art nouveau en het symbolisme.

In de tachtiger jaren van de 19e eeuw (rond 1880) kwam het symbolisme in Frankrijk op, zowel in de schilderkunst als in de literatuur. Het was een reactie op het impressionisme en ook op het sociaaleconomische realisme. Het kwam erop neer dat het kunstwerk een subjectieve zeggingskracht kreeg rond de menselijke figuur, in wel met een raadselachtig-magische samenhang van erotiek en dood.

 fontein der geknielden

fontein der geknielden

Zijn beroemdste werk De fontein der geknielden, van marmer werd in 1898 als concept al uitgedacht, maar pas in 1900 uitgewerkt. In 1905 werd het beeldhouwwerk aangekocht voor het Folkwang Museum te Hagen. In 1922 werd het naar Essen in het gelijknamige Museum Folkwang overgebracht.

Aan het Gentse Belfort nabij Klokke Roeland staat sinds 1930 een bronzen versie van de beeldengroep De fontein der geknielden opgesteld. Het originele gipsmodel bevindt zich in het Museum voor schone kunsten te Gent.

Buiten Gent bevinden zich ook bronzen versies van een beeld of de beeldengroep te Wenen,
in de tuin van het parlementsgebouw te Brusselminne graf robert long
en op het graf van de Nederlandse TV-presentator en singer/songwriter Robert Long in Den Haag.

Een andere analyse van zijn oeuvre ziet u in dit videoclipje:
http://www.youtube.com/watch?v=eaawTzZwOgM

'Pièta'

‘Pièta’

Tàpies Antoni

tapies-2De controversiële Catalaanse kunstenaar was de ongeëvenaarde voorloper van de materieschilderkunst.  Hij mengde zijn verf met toen nog ongebruikelijke materialen als afval, zand en het stof van de straat en maakte er zijn inmiddels wereldberoemde magische tekens mee.

Zijn oeuvre onderging zichtbaar de invloed van de Oosterse kalligrafie en van de latere graffiti waarmee de Spanjaarden bij de burgeroorlog hun protest op de muren ‘kalkten’.

Antoni Tàpies werd in 1923 in Barcelona geboren, de stad waar nu een aan zijn werk gewijde stichting zeker een bezoek waard is.

Hoewel hij  rechten studeerde, werd hij snel tot de kunst aangetrokken

Hij debuteerde met surrealistisch getint werk maar werd al snel aangetrokken door de vormentaal Joan Miró en Paul Klee.

In de jaren ’50 van vorige eeuw nam hij een ommezwaai naar de abstracte kunst.

Hij gebruikte aarde, rood zand, gruis, plaaster en andere elementairematerialen om zijn werk een extra-dimensie te geven en gaf zo de aanzet tot de materieschilderkunst.

Tàpies kwam op tegen het Franco- regime in Spanje maar of dat zijn werk beïnvloedde wou hij nooit beamen. Kunst is/ was voor de creatieve Tàpies een medium dat een eigen taal spreekt en liet het aan de toeschouwer om de boodschap te ontdekken. Perceptie van kunst is voor elk individu anders…

Antoni Tàpies  overleed op 6 februari 2012 op 88-jarige leeftijd in Barcelona.

Antoni-Tàpies-2