Categorie archief: M-Q

Malfait Hubert

Kort na de eerste wereldoorlog brak het expressionisme in Vlaanderen door. Malfait was toentertijd een prille dertiger, had een nog compleet andere visie op het kunstgebeuren en liet deze nieuwe strekking voorlopig ongemoeid.
Pas begin de jaren twintig begon hij, zonder het zelf te beseffen, in de geest van dat allesoverheersende expressionisme te schilderen. Eén van zijn eerste werken in die aard moet De Vrouw met Paander zijn geweest, een werk uit 1923.
Eén element lichtte hem ietwat uit de context van het traditionele expressionisme, waar de aardkleuren de tonaliteit bepalen en dit is het kwistig omspringen met felle kleuren. Pas later zal hij okers en aardkleuren inbrengen in zijn brede penseeltoets.
Van 1931 tot 1936 kende Malfait een overgangsperiode. Zijn oeuvre blijft expressionistisch maar hij wordt fel beïnvloed door het Fauvisme, wat dan ook weer een grote invloed zal hebben op zijn kleurenpalet. Van 1936 tot ongeveer 1954 gaat hij over naar een meer figuratieve schriftuur. Stillevens en boerenfiguren worden donkerder van kleur en vaak schrijven kunstcritici die somberheid toe aan de druk van sociale, economische en politieke onrust.
In die periode gaat Hubert Malfait werkelijk terug naar het realistisch-animistisch schilderen van stillevens, dieren en figuren.
Begin 1960 zou de kunstenaar echter terugkeren naar wat men in de kunstwereld Het Post-Expressionisme zou kunnen noemen. Een strekking die hij zou blijven volgen tot aan zijn dood in september 1971.
Binnen de Belgische kunstwereld zal men Hubert Malfait blijven beschouwen als de laatste epigoon van de Tweede Latemse Groep en een rots in het Vlaams-Expressionisme.

Advertenties

Maeyer Marcel

maeyerMarcel MAEYER is een apart figuur in de Latemse en internationale kunstwereld. Hij legt de commercialisatie van de kunst nog steeds heel kordaat en bewust naast zich neer.
Het merkwaardige is dat ik hem, als kunstenaar dan, pas ontdekte in 1976, toen ik vernam dat hij geselecteerd werd voor de Biënnale van Venetië.
Voor mij was ‘de professor’ en een expert inzake het oeuvre van James Ensor en het was in die hoedanigheid dat ik hem geregeld opzocht.

De kunstloopbaan van Marcel Maeyer (° Sint-Niklaas 1920) start echter reeds in de vijftiger jaren. Van 1949 tot 1960 is hij conservator van het Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen, waarna hij hoogleraar wordt aan de Gentse Rijksuniversiteit te Gent met als leerstoel kunstgeschiedenis en oudheidkunde. Als kunstenaar beheerst hij een diverse disciplines als schilderkunst, tekenen, beeldhouwen en de installatiekunst.
Hij is de eeuwige zoeker. Maeyer neemt gestaag nieuwe uitdagingen aan en analyseert daarbij allerlei plastische probleemstellingen.

In de zestiger jaren breekt hij door met de cyclus Vies des XII Césars, autobiografische keizers die zich situeren in de mythe van de toen heersende Pop-Art en die op een ironische manier refereren naar de antieke cultuurbeleving. In een volgende decade gaat hij de weg op van het hyperrealisme. Het hoogtepunt uit zijn carriëre is ontegensprekelijk zijn aanwezigheid op Documenta IX (1992) te Kassel, waarvoor hij door Jan Hoet geselecteerd werd. mayer 2
In zijn huidig oeuvre regenereert hij elementen uit diverse stijlperiodes en confronteert deze met elkaar in merkwaardige installaties die een synthese vormen van zijn leven en werk.
Die blijvende honger naar vernieuwing bracht hem in 1995-97 tot een tot een totaal nieuwe ontwikkeling in de teken-transfertechniek en verheffen hem tot een ietwat bevreemdend maar diepzinnig kunstenaar met inzicht in de kunsttendensen en met een sterke relativatie. Hoewel hij zich zelf, in de beeldende kunst, autodidact noemt, moet meegegeven worden dat hij Geschiedenis en kunstgeschiedenis studeerde aan de Gentse Rijksuniversiteit. Hij was daarna adjunct-conservator van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel en conservator aan het MSK in Antwerpen.

Als je weet dat Marcel Maeyer ook lange tijd docent en hoogleraar was aan de Gentse universiteit en directeur van het Seminarie Plastische Kunsten in Europa, kan je gerust stellen dat hij zich, naast het intellect, ook een deel van de techniek bij de plastische kunst zal ‘toegeëigend’ hebben.

maeyer olie

Kenmerkend bij zijn oeuvre zijn de seriële uitbouw van opeenvolgende, gedifferentieerde thema’s en de afstand tussen de kunstenaar en de uitgebeelde realiteit, zoals conservator Veerle Van Doorne dat zo treffend uitdrukt in haar betoog tijdens een huldetentoonstelling in het MuDeL (Deinze).
Zowel het materiaal als een kleur, het formaat van een doek, het beeldmateriaal of een kunsthistorische bedenking kan aanleiding geven tot de creatie van een kunstwerk.
Naast een paar landschappen wordt vooral de nadruk gelegd op een
reeks stillevens. Op een haast minimale, delicate manier worden
fruit, gedroogde bloemen, glazen schalen en vazen weergegeven. Door
summier verfgebruik en een zeer gematigd kleurenpalet krijgt het
werk een etherisch effect.
De landschappen tonen dan weer bomen uit Maeyers habitat midden de nog ongerepte Leiemeersen, bomen die ofwel de ochtendmist doorboren ofwel met hun fiere kruin reikhalzen naar een heldere wolkenhemel… van de uiteenlopende kunstconcepties.
Marcel Maeyer leeft en werkt in de landelijke rust van de Brakelmeersstraat te Sint-Martens-Latem.

Oosterlynck Jean

jeanoosterlynckJean Oosterlynck (1915-1995) werd geboren te Parijs.
Zijn vader, Georges, was een rasechte Kortrijkzaan en beheerder van een industriële weverij. In zijn vrije momenten trok hij zich vaak terug in een geïmproviseerd atelier, waar hij tot rust kwam en zich ontplooide tot een getalenteerd “amateurschilder”.

In 1914 werd hij gemobiliseerd en daarom week zijn zwangere echtgenote noodgedwongen uit naar Parijs, waar Jean het levenslicht zag in het nummer 4 van de rue Huysmans in het zesde arrondissement.

Na de Eerste Wereldoorlog kwamen de Oosterlyncks opnieuw naar Kortrijk. Jean versleet er zijn eerste schoolbroeken op de banken van “Smettens Schoolke”, liep later middelbare school te Brussel en industriële school aan de Kortrijkse St-Janslaan.

Hoewel de weg voor hem openlag, trok een succesvolle carrière in de industriële wereld hem geenszins aan. Hij besefte heel vlug dat schilderen zijn enige, echte roeping was.

Van zijn zestiende af volgde Jean Oosterlynck de lessen aan de Stedelijke Academie van Kortrijk en ging zich later vervolmaken aan het Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen. Daar werd hij het felst beïnvloed door het kleurgevoel, het realisme en de technische vaardigheid van Walter Vaes. Deze invloed was zo sterk dat Jean compleet in de war raakte van de academische aanpak inzake beeldende kunst en de geest er rond en besloot uit te kijken naar nieuwe, ruimere horizonten.

Paul Klee werd de nieuwe lichtbaken voor de emotieve Oosterlynck.
Hij imponeerde door zijn subtiel spel met kleurblokken en de constructieve opbouw van zijn doeken Door het analyseren van de technieken van Klee vond de jonge Oosterlynck een eigen visie, een unieke manier van schilderen en een steeds herkenbare structurele vorm als rode draad door zijn ganse latere oeuvre.

Na zijn huwelijk in 1937 ontdekte Oosterlynck Kwaremont en ging er zich in 1941 definitief vestigen. Na de Tweede Wereldoorlog kocht en restaureerde hij een hofstede in de Ommegangstraat (nabij de huidige Galerij Malpertuis), waar hij gedurende 40 jaar onverdroten werkte. Later trok levensgenieter-wereldburger Jean Oosterlynck zich terug op het zonnige Mallorca, waar hij alterneert tussen zijn atelier en de plaatselijke golfclub.

Op zijn tachtigste blijft Jean Oosterlynck nog steeds trouw aan die onweerstaanbare drang om hevige roden en vibrale gelen te verweven met zachte azuren en vertederende witten. Een oersterk constructivisme, waar de kleurwaarden sterk afgewogen zijn en het geometrische in zijn schilderkunst op een onverwoestbare manier schragen, geeft op subtiele manier de componenten van een stilleven, figuur of landschap weer, in een dartele, soms bewust naïeve, maar weloverwogen speling van kleurvakken, die zijn kunst als het ware wereldwijd typeert.

De tachtigjarige Jean Oosterlynck is nog steeds niet “uitgeschilderd”, integendeel, zijn recentste oeuvre barst van nieuwe ideeën en straalt nog steeds de sterke synthetische en harmonieuze kracht uit, gepaard met een fel afwisselend koloriet en een uiterst geraffineerd compositorisch vermogen.

DE MENS ACHTER DE KUNSTENAAR

Bij de kunstcriticus, meer nog dan bij de kunstliefhebber, blijkt enkel het oeuvre van de beeldend kunstenaar een diepgaande analyse waard. In zeldzame gevallen gaat men – gelukkig – dieper in op de zieleroerselen die de artiest bewegen om de richting in te slaan waarvoor hij zonder enige schroom en in de meeste gevallen zondere enige rancune gekozen heeft.

Jean Oosterlynck is één van die artiesten waarvoor de kunstliefhebber, naast de interesse voor zijn ontegensprekelijke kunstzinnigheid, ook geboeid raakt door zijn stijlvolle levenswandel.
De statige, aristocratische tachtiger heeft niet de gedoodverfde allure van een artiest. Hij puilt niet uit van slordigheid, excentriciteit en nonchalance. Integendeel hij oogt als een zakenman, een man van “de wereld”, die zich enkel in de geborgenheid van zijn atelier ontplooit als de ongeremde kunstenaar, die zijn creativiteit tomeloos botviert op het canvas en vriend en tegenstander steeds weer verrast door een niet in te schatten energie en een onbegrensde inventiviteit.

Daarbuiten is hij een gentleman. Een geboren winnaar met als grote passies het welzijn van zijn echtgenote en kinderen en de rustbrengende beoefening van “zijn” golfsport. De “tiercé” kunst, gezin en golf betekenen voor hem het summum van geluk en evenwicht in het hectische van de twintigste eeuw.
Jean Oosterlynck is en blijft een levensgenieter. De gedachte “alle goeie zaken bestaan uit drie” in het achterhoofd, vond hij pas bij zijn derde huwelijk rust en evenwicht. Jean kreeg zes zonen, maar vond ook de tijd om, naast zijn gezinsleven en zijn artistieke creaties, de wereld rond te reizen om in Europa en de Verenigde Staten “ambassadeur” te zijn voor zijn eigen werk.

Op Mallorca vond hij de rust en geborgenheid waar hij veertig jaar had naar gezocht. Het landschap, de kustlijn, de weerkaatsing van de zon in de azuurblauwe zee en de unieke lichtspelingen vertederden de emotionele mens en kunstenaar Oosterlynck. Jean vond er eindelijk de genoegdoening en het evenwicht waar hij decennia had naar gezocht. In dat stukje Spanje verdeelt hij zijn tijd tussen die eeuwige sigaret, de warmte en het gulle licht van de zon, het aanschouwen van het vrouwelijk schoon, het glaasje whisky ’s avonds en een lekker vol wijntje bij het eten en, niet te vergeten, de genoegdoening van het kleurenspel op het eens maagdelijk witte canvas.

Als het massatoerisme zijn oase overspoelt wijkt hij uit naar zijn geliefde “thuishavens”, de Vlaamse Ardennen en het residentiële St-Martens-Latem.
Jean en zijn onafscheidelijke Monique maken van die momenten gebruik om de familie en kinderen te bezoeken, golf te spelen en het rijke Vlaamse cultuurleven fris in het geheugen te houden.
Na een tijdje beginnen de vingers van Jean echter opnieuw te tintelen en hunkeren ze naar palet en penseel. Het schildersdoek en de verf zijn nooit ver uit de buurt. In “zijn” atelier bij de kinderen slikt hij die nostalgische heimwee door met een teugje scotch en tovert de zonnige levensblijheid uit zijn rijk kleurenpalet. Terug in het Zuiden levert hij zijn laatste, ongelijke strijd. Hij weet dat hij de dood niet kan overwinnen, maar blijft schilderen en tekenen tot op zijn sterfdag.
Zijn voorliefde voor Paul Klee en Joan Miro heeft Oosterlynck nooit verloochend. Toen hij afstand deed van het louter academische brachten zij hem naar een totaal nieuwe, aan hem eigen kunstvorm. Die zal hij nooit of nimmer verloochenen.
Het oeuvre van Jean Oosterlynck is de veruiterlijking van de poëzie die zijn ziel beroert. Hij is een gevoelsmens met liefde voor alles wat ook maar enigszins met kunst en levensfilosofie te maken heeft. Een diepere analyse van zijn kleurrijke en zorgvuldig opgebouwde composities brengen het “diepere ik” van de gentleman-kunstenaar aan het licht.

Op Palma vond Jean wat hij wou. Hij werd één van de eilandbewoners. Héél dicht bij de autochtonen voelde hij zich goed. Hij werd één met dat nieuwe vaderland. Men beschouwde hem nooit als een indringer. Hij werd een Hispano-Belg verliefd op het zonnige Zuiden, dat hem met open armen en in alle gulheid opnam als een zoon en hem de inspiratie en de kracht meegaf om als kunstenaar te groeien naar faam en erkenning waar ook ter wereld.
Het oeuvre van Oosterlynck is en blijft de poëtische weergave van de levensfilosofie van een wijs en bezadigd man, in balans met het metafysische en de strakke omlijning van het constructivisme, maar sterk gerelativeerd en verzacht door een uiterst evenwichtig kleurenpalet.
oosterlynck

Pedersen Carl-Henning

chpCarl-Henning Pedersen is, next to Asger Jorn, one of the most outstanding Scandinavian members of the Cobragroup and his art greatly influenced most of the members. His poetic talent and particularly his appreciation of the expressive powers of colour inspired him to paint pictures of great dramatic beauty and originality.

Carl-Henning Pedersen is a painter of phantasy and fairy-tales. He leads us into his strange world of fable populated by strange beings, weird horses and birds that fly away into a red dawn or under a golden star – where distant towers and fairy palaces appear as visions in the sky or in the deep blue of the sea. Although the soul of his painting is to be found not in his figures but in the colours which magically illuminate his pictures. For him, colour is a mysterious, compelling force, a perpetual source of new discovery and delight.
He is an artist for whom colour is poetry. Living most of the time in the French region of Burgundy with his second wife, the photographer Sidsel Ramson, he travels a lot between Molesmes and Copenhagen, and is, despite he passed the age of 92, still drawing his typical strange but poetical creatures when enjoying the view on the wide vineyards.

pedersen portretCarl-Henning Pedersen is op 23 september 1913 in Kopenhagen geboren.

Op 21-jarige leeftijd huwt hij de kunstenares Else Alfelt en begint hij, als compleet autodidact en met haar morele steun, onder invloed van Egill Jacobsen een lange loopbaan als beeldend kunstenaar. Hij maakte in eerste instantie deel uit van de abstracte avant-garde van Denemarken die onder moeilijke omstandigheden probeerde te overleven.

In 1936 maakt hij zijn debuut met vier schilderijen op een tentoonstelling voor jonge schilders te Kopenhagen. Een jaar later neemt hij deel aan de internationale tentoonstelling ‘Linen’ in dezelfde stad.

Van 1942 tot 1949 is hij lid van ‘Host’ en sluit, samen met zijn vrouw, Jorn en Heerup, aan bij de groep rond het tijdschrift Helhesten. In dit tijdschrift worden de principes van de nieuwe kunst van de verbeelding op de meest gedetailleerde wijze gedefinieerd. In 1948 raakt Pedersen net als enkele van zijn land- en geestesgenoten begeesterd door de CoBrAbeweging. Hoewel hij zich nooit bijzonder met de structuur en de theorie van deze beweging zou bezighouden wordt Pedersen beschouwd als de voornaamste Deense deelgenoot van deze, toen revolutionaire beweging. Anders dan Asger Jorn bleef hij bijvoorbeeld altijd in Denemarken wonen, om pas op latere leeftijd rust en inspiratie te vinden in de Franse Bourgognestreek.

Pedersen_24Pedersen nam deel aan de roemruchte CoBrA-tentoonstellingen in het Stedelijk Museum van Amsterdam (1949) en het Museum voor Schone Kunsten te Luik (1951). Bovendien publiceerde het tijdschrift ‘CoBrA’ werk van hem. Maar verder concentreerde hij zich liever op zijn eigen werk. Met zijn simpele, bijna ornamentale vormen en felle, lichte kleuren maakte hij veel indruk op de andere CoBrA-leden.

In die periode was Carl-Henning Pedersen in de greep van kindertekeningen, volkskunst, primitieve middeleeuwse schilderingen in dorpskerkjes op Jutland en kunst van primitieve volkeren. Veel van zijn collega’s vonden pas na de CoBrA-jaren een eigen stijl. Pedersens naoorlogse schilderijen van vogels en goden in witte en gele kleuren, geschilderd met een stippeltechniek, tonen aan dat hij die toen al bezat.

In de na-oorlogse jaren ontwikkelt Pedersen enorme productivteit. Hij schildert zijn fabeldieren en droomgestalten in sprookjesachtige taferelen, maakt litho’s tekeningen en aquarellen maar creëert ook keramische muren, mozaïeken fresco’s en gebrandschilderde ramen. Hij vertegenwoordigt Denemarken op de Biënnales van Venetië (1962), Sao Paolo (1962) en Cairo ( 2000). Tijdens zijn loopbaan ontvangt Carl-Henning heel wat prijzen en onderscheidingen waaronder de Guggenheimprijs, de prijs van de UNESCO en de onderscheiding van de Koninklijke Deense Academie.

Een van de laatste werkreizen die hij met Else Alfelt maakt gaat naar de Scandinavische kunstenaarskolonie in Jeruzalem.

In 1974 overlijdt Else. Later gaat hij nogmaals terug naar deze kunstenaarskolonie en ontmoet er zijn tweede vrouw, de fotografe Sidsel Ramson. Samen volgen zij de weg die Pedersen met zijn eerste vrouw heeft geopend, reizend, werkend en dan weer voor een langere periode verblijvend in Denemarken en later genieten van de zon en de warmte in de Franse wijnstreek, te Molesmes.

Pedersen_40

Een enorme keuze van zijn œuvre is er ondergebracht in het Kunstmuseum te Herning op Jutland, dat aan hem en zijn vrouw Else is gewijd.

In 1976 werd in het Deense Herning een museum met werken van Pedersen en dat van zijn vrouw Else Alfelt geopend.

 

Zijn stippeltechniek, waarmee hij ongewone lichteffecten wist te bewerkstelligen, liet hij niet meer los. Ook de fabelwereld met vogels, huizen, bomen, zonnen en goden is hem tot op de dag van vandaag blijven inspireren, al werd zijn kleurgebruik gaandeweg wel steeds gedempter.

Een recent hoogtepunt in het leven van Pedersen was de imposante overzichtstentoonstelling van zijn werk in de Danish National Gallery ter gelegenheid van zijn 90-ste verjaardag in 2003. Ook zijn werk als dichter werd hier in het licht gesteld. Datzelfde jaar ontmoeten Carl-Henning en Sidsel de Belgische kunsthandelaar Guy Pieters. Ze raken bevriend en van dan af aan kent de carrière van Pedersen een nieuwe elan, wat resulteert in een tentoonstelling in de Belgische badplaats Knokke en in het kunstdorp Sint-Martens-Latem. Op zijn 93ste heeft Carl-Henning in Nederland en Frankrijk belangrijke tentoonstellingen, simultaan in het Cobramuseum en in het Museum Van der Togt en als kers op de taart de tentoonstelling in Saint Paul Art Moderne, Galerie Guy Pieters in Saint-Paul de Vence, waar zijn werk van 13 mei tot 24 april 2006 de cimaises sierden.

Carl Henning Pedersen overleed in Frederiksberg op 20 februari 2007.

 (pictures by courtesy of delaive.com)