Categorie archief: R-U

Servaes Albert

servaes portretAlbert Servaes werd in april 1883 geboren in Gent.
Servaes is aanvankelijk handelsreiziger voor de specerijenhandel van zijn vader.In
1901 en 1902 volgt hij avondlessen aan de GentseAcademie en1905 vervoegt hij zijn geestesgenoten in Sint-Martens-Latem. Albert Servaes vormt volgens critici zowat de schakel tussen de Eerste en Tweede Latemse Groep, anderen spreken dat dan weer tegen. Wel staat vast dat hij een van de eerste Vlaamse expressionisten was. In eerste instantie trok hij in bij Frits Van den Berghe , later bij Gustave Van de Woestijne om dan in alle rust te gaan schilderen bij keuterboer en veelgevraagd schildersmodel Doorke Malfait aan de

Latemstraat 100. Hij bleef er 10 jaar. Toen hij in 1915 trouwde verhuisde hij naar de latere herberg ‘De Haan’ in de Brakelstraat. Op een boogscheut daar vandaan bouwde hij uiteindelijk in de Baarle-Frankrijkstraat zijn befaamde atelierwoning ‘Torenhuis’, later ‘Torenhof’ genoemd

servaes 1908

Zijn werk is aanvankelijk beïnvloed door Eugène Laermans en Gustave Van de Woestijne.
Het befaamde ‘Aardappeleters’ (1909) is naar alle waarschijnlijkheid zijn eerste expressionistische schilderij.

Na de Eerste Wereldoorlog krijgt het werk van Albert Servaes al een eerder religieus karakter.

Hij maakt een “Kruisweg” (1919) voor het Karmelietenkerkje in Luithagen. De dramatische voorstelling van de magere figuren was zo aanstootgevend, dat het werk in 1921 door de kerk uit de openbare ruimte wordt verwijderd. servaes kruisweg

Hij Verbleef van 1904 tot 1944 in Latem. Na de Tweede Wereldoorlog emigreert Albert Servaes naar Zwitserland, vooral uit angst voor represailles omwille van zijn sympathie voor de Duitse cultuurpolitiek. In Zwitserland houdt hij meestal die religieuze thema’s aan.

artiestenzolder-1230 SERVAES

Zijn latere werk is dan weer gekenmerkt door het benadrukken van lichteffecten.

Albert Servaes overleed in april 1966 in Luzern.

Atelierwoning 'Torenhof' van Servaes

Atelierwoning ‘Torenhof’ van Servaes
Advertenties

Sys Maurice

sys maurice portretMAURICE SYS (1880-1972)

Op dertienjarige leeftijd trok Sys al naar de Gentse academie, waar hij de klasgenoot van Hippolyte Daeye, Julius de Praetere en de gebroeders De Smet was. Samen met zijn vrienden Gustave en Leon De Smet debuteerde hij in 1904 in de ‘Gentse Kunst- en Letterkring’.
Hun studiegenoot, de jonge criticus Frédéric de Smet, beschouwde hen toen reeds, samen met Alfons Dessenis en Frits Van den Berghe als dé “revelaties die een briljante artistieke toekomst aan onze stad beloven”. Samen met hen stond hij ook aan de wieg van de Brusselse modernistische vereniging ‘Les Indépéndants’.

Bij zijn debuut genoot Sys vooral faam als portretschilder, die naast de notabelen van zijn tijd ook zijn vrienden-kunstenaars zoals Gustave De Smet en Frits Van den Berghe schilderde. In deze doeken liet hij zich opmerken als een fijngevoelig observator, met een scherp oog voor de psychologische typering van zijn modellen. Zijn koloriet was ingetogen. De beeltenis werd ragfijn uitgewerkt, de omgeving kreeg schetsmatig vorm.

artiestenzolder-1224 SYS
Van 1907 tot 1908 woonde hij te St.-Martens-Latem, in de Latemstraat, en van 1909 tot 1913 aan het Dorp in de vroegere atelierhoeve van Valerius de Saedeleer. Van 1913 tot 1923 zwierf hij rond met zijn woonboot “’t Nest” langs de stromen en rivieren van Vlaanderen, Frankrijk en Nederland (waar hij tijdens de eerste wereldoorlog verbleef).
Nadien vestigde hij zich opnieuw te Gent in de Proveniersterstraat waar hij als een kluizenaar leefde tussen zijn schilderijen en talrijke boeken. In 1969 werd hij, op 89 jarige leeftijd, opgenomen in het Lousbergsgesticht te Gent waar hij in 1972 overleed.

Sys behoorde tot ‘de tweede groep van Latem’ samen met Leon en Gust De Smet, Constant sys botenPermeke, Frits van den Berghe en Albert Servaes.

Sys liep hoog op met hun werk.
Later keerde hij echter terug naar het impressionisme in de lijn van Albert Baertsoen. Maurice Sys schilderde vooral Leiezichten, visserssloepen en -haventjes, huiselijke taferelen en portretten. Zijn kunst kenmerkt zich door een fijngevoelig koloriet en een technische beheersing.

Somers Francine

francinesomers90jaarFrancine Somers (° 1923) mocht zich dankzij haar talent voor tekenen als dertienjarige, vroeger dan andere leerlingen, inschrijven aan de Gentse Academie voor Schone Kunsten.

Ze volgde er de lessen van 1936 tot 1943. Jos Verdegem was haar leraar Levend Model, Stilleven, Etstechnieken en Schetsen. Ze volgde eveneens lessen bij Oscar Coddron en Beatrice Colpaert en volgde tijdens de oorlogzomers de klas ‘Plein Air’ schilderen bij Victor De Budt.
Haar medestudenten waren onder andere Camille D’Havé en Geo Vindevogel.

Ze studeerde af met twee onderscheidingen: de eerste prijs van de Academie (gouden medaille) en de prijs “Jean Delvin”. De deelname aan de Godecharle prijs in 1943 leverde Francine Somers een tweede plaats op.

Ze behaalde in 1948 de fameuze “Prix Jeanne Pipyn” voor de meest beloftevolle jonge kunstenaar.

Naast haar academische opleiding stak Francine vooral veel op van de talloze kunstenaars die ten huize Somers bij haar vader, een befaamde edelsmid,  langskwamen. Zo onderhield ze goede contacten met Maurice Dupuis, Lucie Jacquart, Cécile Cauterman en Victor Stuyvaert. Ook mimekunstenaar en kunstschilder Marcel Hoste lag haar nauw aan het hart.

Les Passants

Les Passants

In haar werk van de jaren ’50, ’60 en ’70 toont de artieste zich een ware chroniqueur van de plaatsen en tijden die ze meemaakte en de mensen die ze observeerde.
De markten van Afrika, de straten van Parijs, de dansers van Maurice Béjart, passanten in de trein, spelende kinderen in parken… fascineren haar. Kleur en tijd, materie en licht, herinnering en reminiscentie kristalliseren.

Op een onbevangen en persoonlijke manier krijgen indrukken en beelden gestalte op doek en papier, in een levendig coloriet. Uit deze tijdsdocumenten spreekt haar ‘joie de vivre’ evenals het plezier van het schilderen.

'Les Bouquinistes'

‘Les Bouquinistes’

francine somers kaft-boeksomers

Nicole Verschoore, journaliste en auteur, verzorgde de herinneringen van haar vriendin Francine Somers aan diens jeugdjaren in Gent tot een mooi geïllustreerd boek met talrijke tekeningen van deze veelzijdige artieste.

 

(foto’s Gallery St-John & Liberaal Archief)

Saverys Albert

albert saverys
Albert Saverys
 (1886-1964) was een van de meest vooraanstaande Belgische kunstschilders van het interbellum. Met zijn expressionistische Leiezichten te Deinze en Astene, schaatsertjes, landschappen, marines en stillevens verwierf hij nationale en internationale faam. Hij wordt vaak geassocieerd met de derde Latemse groep, maar behoort er strikt genomen niet toe. Saverys onderging tal van invloeden maar verwerkte deze in een geheel eigen nerveuze penseeltoets, die tussen 1914 en 1922 op Van Gogh en het luminisme geïnspireerd is, en daarna door haar vlotheid, kleurrijkdom en schijnbaar losse compositie doet denken aan het even volumineuze oeuvre van zijn tijdgenoot, de Franse fauvist Maurice de Vlaminck, die hij persoonlijk kende.

In tegenstelling tot de Vlaamse expressionisten uit zijn tijd, en tegen de achtergrond van een sterk gepolariseerd Europa, brengt Saverys een schilderkunst zonder zwaarwichtige doctrine, die bekoort door de zelfstandige werking van kleur en vorm waarin het landschap als kapstok voor de artistieke bevrijding fungeert.
Saverys kende gedurende heel zijn carrière een drukke tentoonstellingsactiviteit met als hoogtepunt een retrospectieve in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel in 1937 en deelnamen aan tentoonstellingen in de meeste Europese hoofdsteden, de Biënnale van Venetië, New York en Tokio.

'Kerkje aan de Leie'

‘Kerkje aan de Leie’

Zijn werken zijn terug te vinden in de collecties van het Centre Pompidou (Parijs), de Hermitage (St.-Petersburg), de Galleria d’Arte Moderna (Venetië), het Stedelijk Museum (Amsterdam) en de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten (Brussel).
Zijn beste werk toont hem als de ongebonden meester van de kleurexpressie, gevat in een niet-aflatende stroom van los gestructureerde landschapsbeelden.

Het Museum van Deinze en de Leiestreek bereidt momenteel (2013) een overzichtstentoonstelling voor die doorgang zal vinden in het voorjaar van 2014.

artiestenzolder-1233 SAVERYS

Smira Shaoul

smira portretHet minste wat je van de Israëlische, in New York wonende en werkende, kunstschilder Shaoul Smira kan zeggen is dat hij als wereldburger een sterke affiniteit heeft met de historiek van de kunststrekkingen en het wereldgebeuren. Getuige hiervan is een schitterend geconcipieerde cyclus over het leven van Anne Frank, 12 werken die een wereldreis achter de rug hebben.

Smira wil geenszins gelinkt worden aan de ‘Wild Painting’ omdat hij deze strekking ver vooruit was en jaren voor haar adepten deze manier van uitbundige uitbeelding gebruikte.

smira oilVele van zijn schilderijen zijn op het eerste zicht een warboel van basis- en kronkellijnen maar bij nader toezien getuigt het van een sterk sociaal invidualisme dat af en toe verrast met de Chagall koloriet en kronkels en dan weer naar Picasso gaat overhellen.
Deze indruk is niet zo verwonderlijk als je weet dat Smira een adoratie heeft voor beide meesters. Je vindt in zijn œuvre ook her en der toetsen van zijn Belgische vrienden Yvan Theys en Godfried Vervisch, maar dan minder melancholisch en minder desolaat.

Satire is bij Smira vaak aanwezig als tegenpool voor de observatie van het leven. Net als het leven, lijken de schilderijen van deze diep-filosofische kunstenaar een wirwar van vlucht- en kronkellijnen, maar eens ontcijferd getuigt de inhoud van een sterk individualistisch-sociaal betoog tegen onrecht en onderdrukking in de samenleving. Vaak wordt kleurtechnisch en compositorisch de link gelegd naar het œuvre van Chagall, de kunstenaar die voor Shaoul Smira het symbool is voor de typisch-joodse kunstbeleving. In zijn beeldschilderijen wil Smira het cynisme van onze tijd, van onze samenleving gewoon ontkennen en er tegen te strijde gaan als een moderne Don Quichote. Zijn kunst getuigt van een zekere subversiviteit. De sombere kantjes worden dan weer zonnig door de onuitputtelijke verbeelding en de speelse vrolijkheid van ‘de mens’ Smira. Met zijn expressionistische onderbouw hangt Smira ongetwijfeld onlosmakelijk vast aan zijn grote voorbeelden Bacon, Chagall en Picasso. Anderzijds drijft zijn hevig lyrisme hem – ongewild – naar de brede stroming van de nieuwe wilden, een strekking waar hij persoonlijk afstand wil van nemen maar er toch steeds weer mee geconfronteerd en vergeleken wordt. Schilderen is voor Smira de wereld verkennen, de kroniek schrijven van onze tijd. Het Warhol-concept ‘famous for 15 minutes’ is geenszins aan hem besteed, zijn werk moet de tand des tijds doorstaan en hij wil herinnerd worden als de kroniekschrijver van zijn generatie. Hij wil zich niet verstoppen achter de naieve- zichtbare realiteit  hij dring door tot de échte, diepgaande realiteit.   ‘foundations’ te vullen, niet meer om de kunst zelf een evolutie te laten ondergaan.>

Smira kan je niet typeren. Zijn realisme is een bestendige strijd met zijn warrige verbeelding, zijn vormgeving zit vol contrasten en het Oosterse in zijn ziel dwingt hem tot de felste kleurencombinaties. Tot slot kan je stellen dat het œuvre van Smira opvalt, omdat het zo anders is dan het Vlaamse, ja Europese palet en het wil duiden dat schilderkunst geen grenzen kent.

Raveel Roger (1921-2013)

raveel atelierRoger Raveel wordt als één van de belangrijkste Belgische kunstenaars na WO II beschouwd.
Zijn werk is eigentijds en tijdloos. Het schuwt elke eenzijdige benadering. De voedingsbodem van Raveels kunst is zijn onmiddellijke omgeving, wat niet betekent dat Raveel lokaal gebonden zou zijn. De dingen om hem heen krijgen in zijn schilderijen, tekeningen, objecten en installaties een universele betekenis: de man, de vrouw, de planten, de fietskar, de reclame, de technologie worden in tijd en ruimte gezien.
Ongemeen boeiend is zijn gevarieerde plastische taal. Vaak tegengestelde schrifturen of schilderwijzen geven aan zijn werk een spanning die de beschouwer opnieuw de werkelijkheid doet ontdekken.
Roger Raveel werd op 15 juli 1921 geboren in Machelen-aan-de-Leie waar hij tot zijn dood (2013) woont en werkt. Hij studeerde aan de Stedelijke Academie van Deinze en aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Gent. Zijn leraren waren o.a. Hubert Malfait, Jos Verdegem. Via zijn vriend Hugo Claus leerde hij in het begin van de jaren 50 schilders van de Cobragroep zoals Karel Appel en Corneille kennen. Hij wil echter heel andere wegen op met zijn schilderkunst. In 1962 verbleef hij drie maanden in Albisola Mare (Italië) waar hij werkte en tentoonstelde met kunstenaars als Lucio Fontana en Asger Jorn. In 2012 was een vleugel van zijn museum aan deze periode gewijd. De tentoonstelling werd een ‘openbaring’.
Raveels stijl is heel kenmerkend. Critici omschrijven het vaak als een evenwichtsoefening met als ‘rode draad’ het percipiëren en combineren van het abstracte en figuratieve tot een ‘perfect huwelijk’. In het beeld van een typische Vlaamse landelijke achtertuin met wasdraad en betonnen muurtjes verschijnt bijvoorbeeld een volledig wit vierkant (bijna het waarmerk van een Raveel). Die witte vlakken stellen in feite leegtes voor of afwezigheid. Zo gaf hij ook een beweging weer door het schilderen van vlekken, omdat een bewegend object niet kan worden weergegeven met een scherpe afbeelding ervan. Zo deed Roger Raveel reeds aan ‘action painting’ toen er nog nauwelijks sprake was van deze techniek.
Ook wilde Raveel het geestelijke in de mens weergeven en dat laten uitvloeien in tijd en ruimte en ten slotte in het niets van de witte leegte. Daarom integreert hij vaak spiegels in zijn werken, zodat de omgeving deel van zijn werk kan worden. Hij deed dit o.a. in “Karretje om de hemel te vervoeren” (1968), maar ook met twee tegenover elkaar staande spiegels in zijn project Beervelde.
raveel olieMotieven in felle, vitale kleuren worden soms met donkere contouren afgelijnd. In een aantal werken neemt Raveel reële objecten in het schilderij op: houten bedstijlen in ‘Herinneringen aan het doodsbed van mijn moeder’ . Roger Raveel was ook een schitterend graficus en keramieker.Raveel-ZYBC

Rauschenberg Robert

Robert_Rauschenberg_1999Born in 1925 at Port Arthur, Texas. In 1942 he studied pharmacy briefly at the University of Texas, following which he served in the U.S. Marines. From 1947 to 1948 he studied various subjects at the Kansas City Art Institute, including art history, sculpture and music.

During this time he did window displays, executed film sets and designed photographic
studios. In 1948 he attended the Académie Julian, Paris, met Susan Weil, who was later to become his wife, and returned to the USA to study under Joseph Albers at the Black Mountain College, North Carolina.

There he met the choreographer Merce Cunningham and the composer John Cage in 1949 and collaborated closely with both of them.
In the same year he moved to New York and studied at the Art Students’ League until 1952. He did window displays for Bonwit Teller and Tiffany, had his first one-man exhibitions in 1951 and returned to Black Mountain College in 1952.

He traveled in Italy, France and Spain and had exhibition in 1953 at Florence and Rome.
He moved into a studio in New York in the same year and started to paint his red pictures, replacing the all-white and all-black paintings.
He erased a drawing by Willem de Kooning.

Between 1954 and 1965 he intensified his work for the Merce Cunningham Dance Company. In 1955 he moved into a studio in the same neighborhood as Jasper Johns.
In 1958 he had his first exhibition at the Leo Castelli gallery and began his drawings to
illustrate Dante’s “Inferno”. In 1959 he was represented at the documenta II, Kassel, and at the Paris and Sao Paulo Biennales. In 1960 he met Marcel Duchamp.

robert-rauschenberg  work1In 1962 he began to use the technique of silkscreen on canvas, mixed with painting, collage and affixed objects.

He also did his first lithographic work, for which he was awarded the Grand Prix at Ljubljana.
In 1963 he was given his first retrospective exhibition in Europe at the Galerie Sonnabend, Paris, also shown at the Jewish Museum, New York.

He produced his first dance performance Pelican.
In 1964 he had a retrospective at the rauschenberg work 2Whitechapel Gallery, London, and won the Grand Prix at the Venice Biennale.

He went on world tour with Cage and Cunningham’s Dance Company. In 1967 he made his Revolvers – with revolving Plexiglas discs.

That year (the same year as Martin Luther King) he was made honorary doctor of Grinnel College, Iowa. In 1968 he was invited by NASA to witness the lift-off of Apollo 11 at Kennedy Space Center and to use this theme in his work.
He set up the foundation Change Inc. For destitute artists in 1970, and a house with art studios in Florida in 1971.
In 1974 he collaborated with the writer Alain Robbe-Grillet.

He also traveled around in Israel and India. In 1975 he received the Honorary Degree of Fine Arts from the University of South Florida, Tampa, and, together with James Rosenquist, became involved in appealing for a re-examination of taxation for non-profit making art institutions.
A large retrospective of his work was shown in several American cities from 1976-78. In 1980 he had retrospectives at Berlin, Düsseldorf, Copenhagen, Frankfurt, Munich and London.

In 1981 his photographs were shown at the Centre Pompidou, Paris. He lives in New York City and on Captiva Island, Florida. In 1989 his work started a world tour, including an exhibition in Moscow.

Rauschenberg died in Captiva Island, Florida, on May 12, 2008.

Reinhoud

reinhoud portretReinhoud d’Haese (1928) groeit op in het Vlaamse Aalst. In 1945 begint hij als leerjongen bij een edelsmid en ontdekt daar zijn grote voorliefde voor metalen.
Hij schrijft zich vervolgens in bij de kunstacademie. In 1949 sluit hij vriendschap met Pierre Alechinsky en spant zich met hem in de ‘Ateliers du Marais’ tot een kunstenaarscentrum te maken. In de ‘Ateliers du Marais’ ontstaat zijn eerste serie uit koper gelaste beelden.
Reinhoud weet het stugge materiaal tot leven te brengen en om te vormen tot fantasiefiguren en insecten die allerlei menselijke karakters lijken te hebben.

Pas in 1958, toen de CoBrA al geruime tijd uit elkaar was gevallen, vond hij zijn eigen artistieke richting. Hij bleef wel nauw in contact met Alechinsky.
In 1957 kreeg Reinhoud d’Haese de Prijs voor de Jonge Belgische Sculptuur.
Piere Alechinsky raadt Reinhoud aan in La Bosse (Frankrijk) te komen wonen en werken.
Zijn vriendschap met Alechinsky wordt in die periode nog hechter en resulteert in samen-werking en een wederzijdse beïnvloeding.
Reinhoud bewandelde wel zijn compleet eigen wegen en ontwierp karikaturale, imaginaire wezens die zowel menselijke als dierlijke trekken vertonen maar vooral getuigen van heel veel verbeelding en een vleugje maatschappijkritiek.reinhoud sculptuur 1
Reinhoud experimenteerde steeds verder en boetseerde ook vaak figuurtjes uit broodkruim die daarna met zilver of koper overdekt werden. Ook personages opgetrokken uit kippengaas en krantenpapier ontsproten aan zijn creatieve geest.
Het koperlassen van tot monsters gemuteerde grote insecten.
Later kregen zijn creaties plantaardige en menselijke allures, om uit te monden in vaak groteske hybridische wezens waarbij hij zich onderdompelt in de originaliteit van het fantastische realisme. Ook in zijn grafiek en tekeningen bleef hij in de hem eigen stijl.
Zijn beeldcreaties gaf hij stuk voor stuk ludieke of filosofische namen.

Op het einde van zijn carrière waagde Reinhoud zich op aandringen van Corneille en het Nederlandse CoBrAmuseum te Amstelveen ook aan keramiek.
Tot zijn grote verrassing blijkt ook dit materiaal hem zeer goed te liggen.
Hij heeft er geen gereedschap bij nodig.
In keramiekatelier ‘Structuur 63’ (Den Haag) maakt hij wonderlijke en soms aandoenlijke beelden. Dat Reinhoud ook een sterk kleurgevoel heeft blijkt uit kleuretsen die hij maakt met afvalmateriaal.
Dat kleurgevoel ontwikkelt hij verder bij het glazuren van de keramieken. De ware kleur van het glazuur komt pas in het bakprocédé naar voren. Reinhouds voorspellende gave resulteert in bijzondere kleurcomposities. Terwijl hij nog bezig is de mogelijkheden van keramiek te onderzoeken, wordt hij uitgenodigd te werken met glas.
In Italië maakt hij met een glasblazer een nieuw soort beelden die onmiskenbaar het karakter van Reinhouds werk hebben en er zelfs een nieuwe dimensie aan toevoegen.

Reinhoud D’Haese was een bijzonder man. Deze Vlaamse beeldhouwer, tekenaar en graficus, die zijn naam vanaf 1960 beperkte tot zijn voornaam Reinhoud, was de broer van de beeldhouwers Begga en Roel D’Haese.
Reinhoud kwam als mens en kunstenaar bij het publiek nogal stug over maar eens je hem beter leerde kennen, waardeerde je zijn humor en kon je zijn imaginaire wereld vol filosofie doorgronden.

reinhoud en beelden(pictures : guypietersgallery.com)

Reinhoud D’Haese, werd in 1928 in Geraardsbergen geboren en overleed te Parijs in 2007 aan een herseninfarct.

Roggeman Fons

portrait courtesy Julie Haelemeersch

portrait courtesy Julie Haelemeersch

Fons ROGGEMAN, een geliefd volksfiguur en pallieter uit die roemruchte ‘Vierde Latemse Generatie’, met Maurice Schelck, Juul Vuylsteke, Luc-Peter Crombé, Joe Van Rossem, Dees De Bruyne, Lieven Spaens, Miel De Cauter en dichter Berten De Bels, was en blijft een subtiele, getalenteerde kunstschilder, die met veel vallen en opstaan, een vaste stek heeft verworven in de Vlaamse kunstwereld.

Geboren te Aalst in 1939, kwam Roggeman zich in 1961 te Latem vestigen. Eerst in ‘Huize Minne’ aan de Kouterbaan en later in een onooglijk, klein, maar pittoresk huisje op de grens van Latem en Deurle.
Hij studeerde aan de Aalsterse Kunstacademie en later aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Gent. Als leerling van Jan Mulder werd hij als hyperrealist de vernieuwer van de landelijke traditie bij de Latemse Leie- en landschapsschilders.
Hij wordt beschouwd als één van de voortrekkers van een nieuwe generatie figuratieve schilders in Vlaanderen, hierin nagevolgd door o.m. een talentrijk kunstenaar van over de Leie, Henri Vandermoere.

Fons Roggeman is ook een meester in de portretteerkunst. Naast een reeks speelse, maar rake zelfportretten, maakte hij ook heel wat portretten van bekende figuren uit de Leiestreek.
artiestenzolder-1246 ROGGEMAN‘Mijn Dorp’ , waar de ‘Pastorie’ deel van uitmaakt ,zal in de Leiestreek als een belangrijke cyclus blijven nazinderen. Later brengt Fons gewaagde interpretaties van de werkelijkheid en wordt hij gepassioneerd door de speling van het licht en door de natuurelementen.
Met die keuze voor een figuratieve vertolking van zijn ideeëngoed en innerlijke emotie, roeit Roggeman tegen de stroom van de heersende abstractie en het nihilisme in.
Fons heeft al die “-ismen” en pseudo-kunsthistorische termen steeds genegeerd en is obstinaat zijn eigen weg blijven gaan.
Hij hield en houdt er nog steeds aan zijn intrinsieke waarde van een artistieke creatie te veruiterlijken, los van de tijd of de diens tendensen, en die eerlijkheid zal de kunstliefhebber bijblijven. In zijn jongste oeuvre veruiterlijkt hij zijn gevoel bij de strijd tegen kanker.roggeman schilderij

Na zijn therapie put hij dan weer nieuwe krachten aan de Franse Opaalkust en aan de geboorte van zijn kleinkinderen.

Deze verademing inspireert Fons Roggeman tot een nieuwe reeks luchtige, poëtische en vertederende werken.

Alle info: http://www.fons-roggeman.be

 

 

promotie-roggeman

Rotella Mimmo

mimmostudioVan ‘décollage’ tot ‘Nuove Icone’ en verder…

Mimmo Rotella, zoon van een modeontwerper, werd geboren in de Zuid-Italiaanse stad Catanzaro op zeven oktober 1918. Hij doorloopt er de lagere en de middelbare school en trekt daarna naar Napels om er kunstonderwijs te volgen. Wanneer hij in 1941 een functie krijgt op het Ministerie van Post en Telecommunicatie verhuist hij naar Rome. Ook de hoofdstad kan hem echter niet lang vasthouden: Mimmo Rotella wordt opgeroepen voor het leger en begint in het stadje Nocera aan zijn officiersopleiding. Van hieruit gaat het naar de School voor Onderofficieren in Caserta (Campania). In 1944 verlaat hij de krijgsmacht en behaalt hij zijn diploma aan de Kunstacademie van Napels. Van 1944 tot 1945 doceert hij in deze stad tekenkunst aan het Instituut voor Landmeters. Daarna trekt Rotella weer naar Rome. Na zijn eerste, figuratieve stappen en experimenten werkt hij een totaal eigen beeldvorming uit op basis van een neo-geometrische matrix. Zijn deelname aan de ‘Mostra Sindacale di Arti Figurative’ in 1947 is meteen ook Rotella’s eerste expositie. Tot 1951 tekent hij ook present voor de jaarlijkse Art Club-exposities in Rome en Turijn.

rotellaEen van de pijlers in het oeuvre van Mimmo Rotella is de fonetische poëzie, zijn alternatieve expressievorm uit 1949. Gevraagd naar een omschrijving, bedacht de kunstenaar het woord ‘epistaltisch’, een neologisme zonder betekenis: de fonetische poëzie is een verzameling – eveneens verzonnen – woorden, fluitgeluiden, klanken en ‘onomatopoëtische’ herhalingen. Tijdens datzelfde jaar 1949 schrijft Rotella ook het ‘Manifesto della poesia epistaltica’, dat in 1955 zal gepubliceerd worden door Leonardo Sinisgalli in ‘Civiltà delle Macchine’.
In de Galleria Chiurazzi in Rome vindt in 1951 een belangrijke gebeurtenis plaats: Rotella’s eerste solo-expositie, met abstract-geometrische werken. De expositie wordt met gemengde gevoelens onthaald en krijgt het soms hard te verduren van de kunstcritici, maar die kritiek brengt een obstinate, inventieve kunstenaar als Rotella allerminst van slag.
1951 is ook het jaar waarin hij voor het eerst in contact komt met Franse kunstenaars, meer bepaald tijdens het Parijse ‘Salon des Nouveaux Réalistes’. Voor de periode 1951-1952 wordt hem door de Fullbright Foundation een beurs toegekend die hem de kans geeft als ‘Artist in Residence’ aan de Amerikaanse University of Kansas City te verblijven. Hij maakt er onder meer een grote muurschildering in de leeszaal van het universiteitsgebouw, neemt er ook een aantal fonetische gedichten op, begeleid door percussie-instrumenten en houdt een performance met zijn fonetische poëzie aan de Harvard University in Boston, waar hij ook andere stukken opneemt voor de Library of Congress in Washington.

Tijdens 1952 exposeert hij ook in de Rockhill Nelson Gallery in Kansas City, zijn tweede individuele tentoonstelling. Het verblijf in de Verenigde Staten brengt echter meer teweeg; hij maakt er kennis met de protagonisten van de nieuwe kunststromingen: Robert Rauschenberg, Claus Oldenburg, Cy Twombly, Jackson Pollock en Franz Kline.

Bij zijn terugkeer naar Rome in 1953 maakt Mimmo Rotella een langdurige crisis door en valt zijn artistieke productie helemaal stil. Een tijd lang is hij ervan overtuigd dat alles al eens gedaan of gemaakt is, tot wanneer hij, zoals hij het zelf omschrijft, een moment van ‘Zen-verlichting’ ervaart: Hij ontdekt kortweg de artistieke uitdrukkingskracht van de affiche als boodschap van de stad. Hier ligt ook het begin van de décollage – en eerst de collage: stukken op straat losgetrokken affiches die hij op doek lijmt. Rotella neemt de collage van de kubisten over en ‘besmet’ die met het objet trouvé, de heiligschennende fetisj van de dadaïsten.
In 1954 laat hij ons in Rome voor het eerst kennismaken met de ‘gescheurde affiche’ op een expositie die de naam ‘Sei Pittori sul Tevere’ draagt.

Rotella is ook de bedenker van de ‘double décollage’, waarbij de affiche eerst van de muur wordt gehaald en dan later in het atelier wordt verscheurd. Tijdens deze periode maakt hij ook gebruik van de achterzijde van de affiches, waardoor hij een resultaat creëert als van niet-figuratieve werken en monochromen.
De erkenning voor zijn werk begint in 1956, wanneer hij de ‘Graziano Award’ krijgt, gevolgd door de ‘Battistoni e della Pubblica Istruzione Award’ in 1957. Met de Cinecittà-serie begint hij in 1958 ook de lichamen en gezichten van filmaffiches in zijn werken op te nemen, waardoor zijn oeuvre een nieuwe, meer figuratieve kant opgaat.

De door de critici op het einde van de jaren 1950 als exponent van de ‘giovani artisti romani’ (jonge Romeinse kunstenaars) erkende Rotella, krijgt het etiket ‘affichescheurder’ en ‘schilder van gelijmd papier’opgeplakt. ’s Nachts trekt hij, gewapend met een zakmes, door de straten van Rome en maakt hij niet enkel affiches los, maar ook stukken staal en zink van de onderliggende frames. In 1958 wordt Rotella in Rome opgezocht door de Franse kunstcriticus Pierre Restany. Deze ontmoeting is het begin van een lange vriendschap. Dat jaar neemt hij ook deel aan de Romeinse expositie ‘Nuove tendenze dell’arte italiana’, georganiseerd door Lionello Venturi in de hoofdzetel van de Rome-New York Art Foundation. In 1959 verschijnt een van zijn werken ook in het bijzonder invloedrijke tijdschrift Azimuth, dat was opgericht in Milaan door Enrico Castellani en Piero Manzoni.

De nieuwsgierigheid van het publiek naar de extravagante bohémienlevensstijl van de kunstenaar wordt in 1960 gelest met de kortfilm van Enzo Nasso over de ‘Pittori arrabbiati’ (boze schilders). Rotella zelf staat in voor het commentaar in de film.

In 1960 sluit Mimmo Rotella zich aan bij de strekking van de ‘Nieuwe Realisten’, zonder echter hun manifest te ondertekenen. De stroming was het geesteskind van Pierre Restany en groepeerde belangrijke namen als Yves Klein, Jean Tinguely, César, Daniel Spoerri, Arman, Niki de Saint Phalle en Christo. De groep omvatte ook de Franse kunstenaars Hains, Villeglé en Dufrêne, die eveneens met collages en décollages werkten, maar op hun eigen manier.
In zijn isolement was Rotella ver voor op zijn Franse collega’s, die hun werk pas in 1957 in de Parijse Galerie Colette Allendy voor het eerst geëxposeerd zagen. Het werk van Mimmo Rotella staat aan het begin van een tijd waarin de mediacultuur een steeds belangrijkere rol gaat spelen in een samenleving die steeds vluchtiger wordt. Dit maakt dat zijn kunst een zeer precies historisch moment vertegenwoordigt. Zijn schreeuwende kleuren geven de kijker stof tot nadenken over de realiteit van een door de media overspoelde stadscultuur en brengen het publiek, door de poëtische lading die hij erin aanbrengt, tot een overpeinzing hiervan. De strijdvaardigheid en innovatie waarmee Mimmo Rotella het begin van het mediatijdperk inluidt, maakt hem tot één van de belangrijkste Europese kunstenaars van deze tijd.
Samen met zijn décollages maakt Rotella ook composities met objecten die hij koopt van rommelleurders: kroonkurken, flesdoppen, eindjes touw en garen, enz.

Rotella’s beeldvorming wordt sterk beïnvloed door de Amerikaanse pop-art, het abstracte expressionisme, en het Spazialismo en de art-informel waar Lucio Fontana en Alberto Burri op dat ogenblik in Italië mee bezig zijn. In 1960 ontmoet hij in Rome Willem De Kooning en Mark Rothko.
In 1961 neemt Rotella deel aan de historische Parijse expositie ‘A 40° au-dessus de Dada’, onder leiding van Pierre Restany. In 1962 spreekt hij over zijn eigen artistieke bezigheden aan de School of Visual Arts in New York. In 1964 wordt hij uitgenodigd om deel te nemen aan de Biënnale van Venetië.

Terwijl de pers het in toenemende mate heeft over het fenomeen Affichisme, verhuist Rotella naar Parijs, waar hij een procedure uitwerkt voor serieproductie door de projectie van negatiefbeelden op lichtgevoelig doek. Hij geeft het proces eerst de naam ‘Reportage’ en bedenkt in 1965, samen met kunstcriticus Otto Hahn en schilder Alain Jaquet de naam ‘mec-art’.
Met behulp van typografische producten creëert hij tussen 1967 en 1973 zijn Art-typowerken, waarbij hij proefdrukken kiest en die reproduceert op doek. Met deze procedure amuseert hij zich door reclamebeelden over en door elkaar te plaatsen. “Ik heb mijn vroegere werkwijze omgedraaid: eerst was ik erop uit om die materie, die werkelijkheid uiteen te halen, en nu voeg ik ze weer samen”, was zijn laconieke omschrijving van dit nieuwe fenomeen.

In het begin van de jaren 1970 maakt Rotella ook een aantal werken waarbij hij oplosmiddelen rechtstreeks laat inwerken op advertentiepagina’s in tijdschriften, waardoor er slechts een afdruk (frottage) of helemaal niets meer (effaçage) overblijft. Twee jaar later, in 1972, publiceert hij een gewaagde autobiografie met als titel ‘Autorotella’.
Zijn ‘Plastiformen’ zien het daglicht in 1975: hij hecht gescheurde affiches vast op een polyurethaan draagvlak, waardoor het geheel een driedimensionale indruk verkrijgt.
Tijdens datzelfde jaar neemt hij ook zijn eerste Italiaanse LP op met fonetische poëzie en met een inleiding van Alfredo Todisco, wat hem in 1976 naar het eerste ‘Festival International de Poésie sonore/Poésie action’ leidt in het Atelier Annick Le Moine. Een ander experiment uit deze periode is het oprollen van affiches om ze vervolgens in plexiglazen kubussen te presenteren.

Nadat Rotella in 1980 Parijs verlaten heeft voor Milaan, werkt hij in de daaropvolgende jaren aan zijn ‘Blanks’: reclameaffiches bedekt met witte stroken papier – zoals dat het geval is met affiches die vervangen worden of waarvan de huur van het reclamepaneel is verlopen – na een conceptuele operatie. In 1984 werkt hij weer met penseel en acrylkleuren voor zijn tweede cyclus van aan de film gewijde werken: ‘Cinecittà 2’.
In 1986 brengt hij een bezoek aan Cuba, en stelt hij tentoon in de Universiteit van Havana. Tijdens zijn verblijf brengt hij ook een performance: het verscheuren van affiches op een marktplein van de stad. Ook houdt hij tijdens dat jaar een aantal lezingen aan de Domus-academie in Milaan.
Het is dan dat Mimmo zijn sovrapitture (overschilderingen) creëert, geïnspireerd door het toenmalige thema van de graffiti, en waarbij hij schildert op gescheurde, op doek gelijmde reclameaffiches en vanaf 1987 ook op gescheurde affiches op metalen dragers. Hij tekent anonieme boodschappen, zoals je die ook kan vinden op muren in de steden: tekens, liefdesboodschappen of (anti-)politieke slagzinnen met een dubbele betekenis.

In 1990 neemt Rotella deel aan de ‘Art et Pub-expositie’ in het Centre Pompidou in Parijs en aan de ‘High and Low-expositie’ in het New Yorkse Museum of Modern Art.

In 1991 huwt hij de jonge Russische economiste Inna Agarounova, die hem in 1993 een dochtertje schenkt, Asya.
In 1992 krijgt hij de eretitel ‘Officiel des arts et des Lettres’ uit handen van de Franse Minister van Cultuur, Jack Lang.
In 1994 wordt Rotella uitgenodigd om deel te nemen aan ‘Italian Metamorphosis’ in het Guggenheim Museum in New York. In 1996 neemt hij deel aan ‘Face à l’Histoire’ in het Centre Pompidou en aan de expositie ‘Halls of Mirrors’ in het Museum of Contemporary Art in Los Angeles, een tentoonstelling die later de wereld zal rondtrekken, en ook in Rome te zien is.
1996 is ook het jaar waarin de vernissage van een individuele expositie on line te volgen is op het internet, de allereerste keer dat in Italië zoiets gebeurt.

In 1997 draagt Rotella een serie werken op aan de films van Frederico Fellini onder de naam ‘Felliniana’.
In 1999 ondertekent Sergio Abramo, de burgemeester van zijn geboortestad Catanzaro, een hoogst merkwaardig gemeentelijk besluit waardoor Rotella officieel de toelating krijgt om in Catanzaro en omgeving affiches af te scheuren. Een late appreciatie?
Tijdens de 49ste Biënnale van Venetië wordt hij uitgenodigd in het kader van zijn historisch belang in de ontwikkeling van de hedendaagse kunst. De op film geïnspireerde werken van Mimmo Rotella laten goed zien dat investeren in kunst hetzelfde is als investeren in energie, of zoals de kunstenaar het zelf verwoordt: “Talent is niets zonder creatief taalgebruik.”
In 2002 ontplooide een tomeloze, 84-jarige ‘zoeker’ een nieuwe cyclus, waarvoor zijn goede vriend en mentor, wijlen Pierre Restany, de naam ‘Nuove Icone’ bedacht.

Vijftig jaar na de ontdekking van de décollage blijft Mimmo Rotella voortdurend op zoek gaan naar nieuwe uitdagingen, de betekenis van ‘kunst’ en de essentie van schilderen. Bij ‘Nieuwe Iconen’ maakt hij, soms met zelfspot en met een ironische, relativerende glimlach, een retro-analyse van een rijk gevulde carrière. Met een levendige en subtiele creativiteitszin blijft Mimmo Rotella ook op zijn zesentachtigste nog actief en productief, en experimenteert hij verder met zijn métier, steeds op zoek naar die ultieme uitdaging.
Hij overleed in Milaan in 2006.