Categorie archief: R-U

Schelck Maurice

schelckMaurice Schelck, kunstschilder en volkfiguur (°Aalst 1906 – Latem 1978)
Van kleins af aan toonde Schelck een, wat men zou kunnen verwoorden als, culturele dualiteit die hem zijn ganse leven zou blijven volgen. Hij was een uitgesproken muzikaal talent met de gave die klankrijkdom ook moeiteloos picturaal te uiten in alles wat hem omringde in de natuur en in zijn dagdagelijks bestaan.Van 1916 tot 1923 studeerde hij aan de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten te Aalst en vervolmaakte hij zijn schilderstechnieken aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Brussel. Tijdens de economische crisis van de jaren dertig aanvaardde hij een betrekking als docent aan de academie van zijn geboortestad. Kort voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog zou hij totaal onverwacht van het artistieke toneel verdwijnen om in 1955 opnieuw op te duiken in Brussel.
In de hoofdstad verraste hij de kunstliefhebber met een totaal vernieuwd oeuvre dat het midden hield tussen het figuratieve en het abstracte. In 1959 bracht hij in het Paleis voor Schone kunsten een merkwaardige tentoonstelling met enkel lyrisch-abstracte werken. In 1961 nam hij echter afstand van deze ‘escapade’ met een controversiële tentoonstelling, ‘Vaarwel Abstractie’, in de Brusselse ‘Galerie de la Madeleine’. Datzelfde jaar kwam hij zich te Deurle vestigen, waar hij de steun en sympathie kreeg van burgemeester de Pesseroey, fervent kunstliefhebber en mecenas. In 1962 viel zijn oog echter op een atelierwoonst aan de Hoge Heirweg te Sint-Martens-Latem, waar hij tot zijn dood zou genieten van leven en werk. Hij knoopte er onder impuls van verzamelaar en later kunsthandelaar, Marcel Pieters, opnieuw aan met de figuratieve schilderkunst. Zijn voornaamste thema’s waren de Leie, het landelijke en de expressierijke, verweerde koppen van boeren en straatleggers. Schelck was een geweldenaar inzake vorm en kleur. Toch bleef zijn oeuvre doorweven met een lyrisch-poëtische artisticiteit. Hij was ook zeer extrovert en een echte volksmenner. Zijn gedrevenheid bracht in de zestiger jaren een heropflakkering teweeg in het uitgebluste Latemse kunstleven, waar enkel ‘eerbied’ was voor de ‘Latemse Groepen’ uit de periode 1880-1935. Maurice Schelck werd de spreekbuis van de kunstenaars. Met hem kwamen figuren als Fons Roggeman, Joe Van Rossem, Luc-Peter Crombé, de gebroeders De Cauter, Vic Dooms, Léa Vanderstraeten opzetten. Met o.m. Jan Dhaese, Eduard De Clercq, Norma De Vos, Herman, Hugo en Raf Van de Abeele, Hendrik Caspeele en enkele andere kleurrijke figuren en notabelen vormde hij ‘De Schilders van de Ronde Tafel’, die tussen pot en pint vergaderden in ‘De Klokkeput’ en later in het dorpscafé ‘Sint-Martinus’ bij bakker Claeys. Hij bleef actief tot kort voor zijn dood en zal herinnerd worden als de goedlachse volksfiguur met de onafscheidelijke havanna. Schelck was wellicht de meest gewaardeerde schilder uit die Latemse generatie. Een kunstenaar die hield van het volksleven, actief was bij de plaatselijke kruisboogschutters of de kaarters- en boldersclubs, maar die de Latemse kunstwereld opnieuw de nodige elan gaf en bovenal een rijk en gevarieerd artistiek oeuvre naliet.

Synthese van Deurle

Synthese van Deurle

Advertenties

Spiller David

Spiller1Toen David Spiller begin de jaren zestig zijn intrede maakte in de befaamde Slade School of Arts had hij het geluk en de opportuniteit om het Britse popgebeuren van heel nabij te kunnen observeren en analyseren. Gezien hij jonger was dan de meeste popartiesten ontwikkelde hij een totaal andere, eigen benadering van het kleurrijke en experimentele uit de vernieuwende roaring sixties .
Geboren in 1942 in Dartford, Kent, kwam hij voor het eerst met kunst in aanraking in 1957 waar hij zijn talent ontwikkelde aan de Sidcup School of Art. Van 1958 tot 1962 kon hij zich vervolmaken aan de Beckenham School of Art, waarna hij de kroon op het werk zette in de eerder genoemde Slade School of Arts van 1962 tot 1965.
Het lijkt ons dus evident dat Spiller, een uitgesproken exponent uit de wilde en wereldvernieuwende popcultuur, met Merseybeat, flower power, Carnaby Street, Mary Quant en de onvermijdelijke Beatles, nu nog steeds ‘blijft hangen’ in de sixties, de strips, songs, gadgets en rariteitenkabinetten van toen. Heerlijke tijden blijven bij…

De verzamelnaam popart omvat Amerikaanse en Britse kunstenaars die zich op het einde van de vijftiger jaren afzetten van het abstract-expressionisme en maniërisme en werd bedacht door de Engelse kunstcriticus Lawrence Alloway. Deze strekking behoort in de 21ste eeuw nog steeds tot de meest gevolgde en door de kunstliefhebber gekoesterde kunststromingen.
Daar waar de meeste van zijn generatiegenoten zich focusten op gebruiksvoorwerpen, massamedia of alledaagse dingen uit de consumptiemaatschappij, verwerkte David Spiller zijn observaties en innerlijke gevoelens van en voor de stedelijke graffiti, als door de lens van de frans/hongaarse fotograaf Brassai (1899-1984), verder beïnvloedt door het vroege werk van Jean Dubuffet en de visie van de Amerikaan Cy Twombly.
Gezien David Spiller de hoogdagen van de popcultuur van nabij beleefde is het niet verwonderlijk dat sommige iconen uit deze periode de rode draad bleven in zijn totaaloeuvre. Hij gebruikt deze echter niet in hun oorspronkelijke context of vorm, noch als instrumenten voor het leveren van maatschappijkritiek. Animatiefiguren als Felix the cat en Deputy Dawg krijgen een rol toebedeeld als tastbare figuren met niet enkel hun rijk animatieverleden maar tevens iconografisch ondersteund door de kunstliefhebbers’ herinnering en appreciatie. Daarenboven geeft David Spiller zijn ironische toets door het aanbrengen van gekleurde cirkels en het rasteren van de compositie als ware het een uitvergroting uit een krant of magazine, een techniek die dan weer het effect brengt van een derde dimensie.
De meeste zinsneden die in stevige blokletters alle doeken hun eigenheid geven, zijn subtiel gekozen flarden tekst uit onvergankelijke popsongs. De combinatie van die lyriek en de schriftuur van de figuren maken het oeuvre steeds herkenbaar als zijnde een ontboezeming van de eeuwig jonge, revolterende David Spiller, een zestiger die bleef steken in … de sixties.
Spiller behoudt na al die jaren die geniale speelsheid uit zijn beginperiode en de werken in dit boekje brengen een brede waaier van onuitputtelijke inventiviteit in compositie, interesseveld en thematiek, met steeds weer die ondeugende knipoog naar de vernieuwing en openheid die de jaren zestig brachten.
David Spiller behoort tot de generatie kunstenaars voor wie de popartbeweging al een gevestigde kunststroming was. Deze groeide op met de visuele wereld van Andy Warhol en zijn Factory die er voor gezorgd had dat alle referenties naar de popthema’s even voor de hand liggend waren als ademen, eten en drinken.
In deze reeks schilderijen vind je talloze referenties naar die beginjaren terug. De beelden van Marilyn Monroe, Mickey Mouse, Popeye, Olive, Felix the cat, de Brillo box en het dollarteken blijven onlosmakelijk verbonden aan deze kunststroming en haar onnavolgbare leider Andy Warhol, dus ook in de creatieve geest van Spilller.
Juist omdat die referenties zo vastgeankerd zijn aan de popcultuur blijft David ze gebruiken. Hij wil de weg verkennen die Warhol bewandelde om zowel de artistieke als de sociale sensibilisering door de massamedia te ‘manipuleren’ en aldus een kentering te brengen in de levensstijl van zijn generatie.
Ook wil hij in zijn oeuvre en gedachtegoed de kunstliefhebber duidelijk maken dat Andy Warhol niet langer behoort tot de hedendaagse kunstenaars en al meer als twintig jaar niet meer onder de levenden is. Hij is er zich wel degelijk van bewust dat deze boude uitspraak hem niet in dank wordt afgenomen en door de meeste kunstliefhebbers angstvallig genegeerd wordt en onaanvaardbaar is. Toch is hij de mening toegedaan dat het zijn taak en die van zijn geestesgenoten is om in dit nieuwe millennium de fakkel over te nemen zonder daarom Warhol van zijn ‘pauselijke’ troon te stoten.
Deze ‘rebellie’ uit zich op diverse subtiele wijzen. Zo gebruikt hij in zijn ‘Marilyn paintings’ moedwillig de grove textuur van een immense uitvergroting van een krantenknipsel om emotioneel afstand te nemen van het kwetsbare beeld van de filmdiva. Daarenboven drukt hij haar naar de achtergrond door het aanbrengen van stippen en kleurige cirkels – zowat zijn signatuur doorheen zijn oeuvre – om de kijker te verhinderen zich te focussen op wat in eerste instantie de hoofdsubstantie, de aanzet is van het doek, maar waar hij dat beeld minimaliseert tot achtergrond om onze ogen te dwingen de werkelijke boodschap van het doek te doorgronden.
Ook de stripfiguren, het dollarteken en de haast evidente Brillo box krijgen bij Spiller een andere schriftuur en dimensie mee. De sfeer in de kunst van David Spiller is steeds open en uitbundig, maar af en toe overheerst een gevoel van weemoed, een onbestemde vrees voor wat de toekomst brengen kan. Die bezorgdheid wordt dan weer uitdrukkelijk geaccentueerd door fijne, typerende versregels uit onvergetelijke liedjesteksten, die vaak ook tot titel van het desbetreffende werk worden verheven. Toch blijft vooral zijn benadering van de door ons allen gekoesterde stripalbums levensvreugde en geloof in een betere toekomst uitstralen.
De bewust vertekende beelden van Disneyfiguren en zijn favoriete Felix the cat, bekrachtigd door oordeelkundig aangebrachte graffiti en doodles (kindertekeningen), brengen een boodschap van liefde en verdraagzaamheid, soms gecontrasteerd door lofzangen over de gedreven rebellie van de werkende klasse, waar hij enorm respect voor opbrengt.
Hij nodigt ons uit zijn oeuvre te bekijken met onze menselijke perceptie die het ons mogelijk maakt tegelijkertijd inzicht te hebben op die massale informatie die van overal in onze leefwereld als een constante wordt afgevuurd. Toch ligt het niet in zijn bedoeling ons af te schrikken voor de agressie van de media. Integendeel, hij spoort ons aan in alles het positieve te zien en het doemdenken uit ons leven te bannen.
Het werk van Spiller straalt dan ook zowel rust als blijheid uit. Alles wordt gerelativeerd. Zijn doeken zijn één en al lyrisch als een schalkse popsong die je de ganse dag koestert, die je neuriet en die je vrolijk stemt.
Als dit bijzonder gevoel nazindert bij het bezoek aan een tentoonstelling van David Spillers oeuvre, dan maak je de narratieve, blijmoedige kunstenaar gelukkig en is hij in zijn opzet geslaagd: de mensheid op een ongekunstelde, optimistische manier vertederen met fragmenten uit de alledaagsheid van haar bestaan…

Spoerri Daniel

Daniel_SpoerriDe Roemeens-Zwitserse beeldende kunstenaar Daniel Spoerri, pseudoniem voor Daniel Isaac Feinstein, werd in 1930 geboren in het Roemeense Galati. Aanvankelijk was hij voorbestemd om missionaris te worden. Maar Spoerri had het zo niet begrepen. In 1942 imigreert hij naar Zwitserland en van 1950 tot 1954 gaat hij een opleiding als danser volgen. Hij was uiterst talentrijk en daardoor ook succesvol als danser, mimespeler en choreograaf.
Van 1955 tot 1957 was hij eerste danser bij de Opera van Bern. In 1957 werd hij assistent van K. Bremer bij het theater van Darmstadt.
In deze periode schrijft Daniel Spoerri eveneens bijdragen over experimenteel theater.

Later werd hij objectkunstenaar en een van de voornaamste vertegenwoordigers van het nieuw realisme.
In 1959 verhuist hij naar Parijs en tekent in 1960, gedreven door de onvermijdelijke Pierre Restany, het manifest als medeoprichter van de nieuwe realisten.

Hij begint er zijn ‘trap pictures’, (‘tableaux-pièges’), waarin hij objecten die willekeurig op hun ondergrond, zoals een tafel, bevestigt en tot kunstwerk verheft. De enige verandering die hij meestal aanbrengt is, dat hij het vlak waarop de voorwerpen zich bevinden, in plaats van horizontaal verticaal opstelt. Daarnaast maakte hij ‘eat art’ (kunststukken in suiker, cake, chocolade, enz.), waarmee hij de vergankelijkheid van het kunstwerk aan de orde wilde stellen.

spoerri_ internet RGBDaniel Spoerri hing ook regelmatig rond op de Marché aux Puces. Daar had je mensen die op tapijtjes een hoop ouwe rommel aanboden. Dan kocht hij het hele zootje op, haalde een busje lijm uit zijn zak en plakte alles vast. Dat ging dan zo in zijn deux-chevaux, een bescheiden wagentje waarmee hij zich meestal verplaatste.
In 1961 kreeg hij zijn eerste ‘one man show’ in Galleria Schwarz te Milaan, en wordt hij gevraagd voor de tentoonstelling ‘The Art of Assemblages’ in New York.

Hij werd in 1963 tegelijk befaamd en berucht omwille van zijn Menus-pièges: twaalf dagen werd het publiek in de Parijse Galerie J. uiteenlopende menu’s voorgezet, samengesteld door verschillende kunstenaars en schrijvers, variërend van exotische heerlijkheden tot broodsoep (in de Franse volksmond menu prison). table spoerri

Na afloop fixeerde Spoerri de resten van de dis op het tafellaken en hing dat vervolgens als schilderij aan de muur. Het werd een heuse fluxus toestand. In de bediening zette hij dan bijvoorbeeld de beroemde kunstcriticus en kunstgoeroe, Pierre Restany. Zat je te eten en riep je kelner Pierre, kwam dan opeens Daniel Spoerri langs en zei: ‘Afblijven!’ Roerde in zijn lijmpot en kleefde alles vast, fixeerde de resten en weer was een table piège klaar. In Düsseldorf opent hij in 1968 zijn eigen ‘Eat Art Restaurant’ en geeft het tijdschrift ‘Eat Art Edition’ uit.
Voor hem was het in realiteit het fixeren van een moment. Une tranche de vie. Een momentopname.
Spoerri erkent het toeval als een belangrijk uitgangspunt voor zijn werk. In de jaren 70 ging hij zelf de exclusieve gerechten bereiden. De gasten konden na het diner hun tafel met overblijfselen door Spoerri tot kunstwerk laten vereeuwigen…

Vanaf 1970 gaat Spoerri meer en meer op zoek naar voorwerpen die reeds een eigen bestaan hebben doorgemaakt. Voorwerpen met een mooie patina van de tijd. Niet alleen op rommelmarkten, maar overal waar het toeval hem brengt, kijkt Spoerri uit naar objecten die hem aanspreken en die op zichzelf al een verhaal vertellen.
Spoerri ontsluit de schoonheid van de voorwerpen en assembleert stukken die ergens een gezamenlijk verleden zouden kunnen geleid hebben. Met andere woorden, zou er ergens een rode draad bestaan, een “intrigue”. Of nog beter een mysterieuze alchimie tussen de verschillende objecten. Het samenbrengen van de objecten lijkt misschien maar een kleine ingreep, maar daar zit juist de kunst. Eerst het zoeken, dan het samenbrengen van de gevonden stukken met een gemeenschappelijk verhaal en tenslotte het assembleren van de objecten op de meest geslaagde wijze. Volgens hem wordt het object pas mooi, als het buiten zijn gebruik wordt gezet. Door het samenbrengen van die objecten verliezen ze uiteraard hun functie. Een mooi vb. daarvan is de genetische keten die hij realiseerde in 2002. Een 250 m lange keten van op de rommelmarkt gevonden objecten. Van porseleinen kopjes tot een opgezette kat. Soms nemen die assemblages wel eens een dramatische wending. Zie “Criminal Invistigations” van 1976, waarbij hij met krantenartikels, foto’s en wapens werkt. Spoerri is ook gefascineerd door protheses, lenzen, dieren en bont, kortom het lichaam, alles wat leeft of dood is. De laatste jaren laat Spoerri vaak zijn assemblages gieten in brons. Het gieten in brons heeft als voordeel, éénheid te verschaffen aan het werk. Het “samensmelten” van het geheel. Het laat hem eveneens toe zijn sculpturen in open lucht te presenteren wat voordien door gebruik van niet weerbestendige materiaal moeilijk was. Spoerri houdt van het toeval en daarom is hij alles behalve minutieus over de juistheid van de geut ten opzichte van het te gieten object, of beter gezegd de sculptuur wint aan intensiteit door toeval of ongevallen bij het gieten.

Daniel-Spoerri,-Rekonstruktion-des-Chambres-No.-13, Gal. Ketterer

Daniel-Spoerri,-Rekonstruktion-des-Chambres-No.-13, Gal. Ketterer

Spoerri draagt geen boodschap uit, levert er geen gebruiksaanwijzing bij. Hij voert een dialoog met de afbeeldingen, geeft zijn waanvoorstellingen de vrije loop, wist vervolgens de sporen uit om een dwaalspoor uit te zetten. «Ik wil dat de beschouwer mijn werk binnenstapt en er een verhaal rond vertelt, dat hij met behulp van de eigen logica van het ene voorwerp naar het andere kan overgaan. Maar op een gegeven ogenblik moet de beschouwer de draad van het verhaal kwijt raken zodat hij gedwongen is naar zijn vertrekpunt terug te keren… Van daar vertrekt hij opnieuw, met dezelfde elementen, voor een nieuwe interpretatie.»
Met enige goede wil kunnen we die ontbijttafels lezen als relieken van een – zij het dan alledaagse in plaats van memorabele – gebeurtenis. Ze roepen dan de voorstelling op van wat er aan is voorafgegaan. De reële objecten gaan daarbij deel uitmaken van een omvattend geheel waarbij werkelijkheid en voorstelling worden vermengd.

Sweetlove William

SWEET7William Sweetlove, geboren in 1949 te Oostende (België) is één van die post-modernistische kunstenaars die de huidige wereld van kunst en cultuur in vraag stelt en dit uit in controversiële collages, schilderijen, objecten of sculpturen. Deze veelzijdige, non-conformist kreeg zijn artistieke opleiding in Gent.

sweetlove

William Sweetlove was leraar aan de Stedelijke Academie van Brugge en gastdocent aan de academie voor beeldende kunst in Rotterdam, aan de universiteit van Louvain La Neuve en aan de rijksuniversiteit van Gent. Hij maakt de meest onverwachte assemblages met plastic voorwerpen en portretteert ‘zijn’ dierenwereld in felle, soms schreeuwende kleuren. Of hij zichzelf bij zijn creaties au sérieux neemt is een open vraag, maar zijn œuvre reflecteert een satirisch-humoristische weerspiegeling van de bekrompenheid van de huidige tendens in de kunstwereld.
William Sweetlove verwoordt zijn visie door middel van een fijnzinnig minimalisme.
Hijzelf dweepte, en doet dat nog steeds, met Rudy Fuchs’ Dokumenta. Fuchs, die in zijn aanpak de noodzaak aan artistieke grensdoorbraak wou illustreren en daar met verve in slaagde. Kunstenaars worden designers, architecten kunstenaars of zoals hij het ongezouten noemt, de versmelting der kunsten…
William Sweetlove neemt in het hedendaagse kunstlandschap een aparte plaats in. Door zijn goedlachsheid, zijn zin voor humor en ironie, ja zelfs door zijn poëtische perceptie van de wereld, veruiterlijkt hij onder het mom van een traditioneel, klassiek en burgerlijk thema, het stilleven op zijn eigen zeer actuele manier. Het gevaar bestaat dat je zijn werk zou kunnen catalogeren bij de ‘kitsch’ van Thomas Kinkade, Margaret Keane en de bij ons, zeg maar wereldwijd, beter bekende Jeff Koons. Maar de boodschap van Sweetlove ligt dieper en brengt totaal andere accenten. Flamboyante kleuren, verleidelijke vormen en smakelijk uitziende ‘gerechten’ vormen zijn boodschap in zijn allesoverheersende gedachten. Een subliem (soms subtiel) beeld, gestoeld op recente gebeurtenissen (dioxine, hormonen, dolle koeienziekte en ook de biotechnologie) onthult het gevaar van de afgebeelde producten voor het (excuseer mijn woordspeling) mensdom.
Ook het klonen van dier en mens volgt hij met passie en resulteerde in zijn non-kitsch ‘dierentuin’.
Tijdens de Triënnale van de Hedendaagse Kunst in Knokke (2003) ontstond een compliciteit en een hechte band met het Noord-Italiaanse kunstcollectief ‘Cracking Art’. Hoewel geen van de partijen van hun eigen ideeëngoed afstand deed ontstond er een nauwe samenwerking, gebaseerd op het dadaisme, het surrealisme, de popart, het minimalisme en hun ‘subculturen’. Dit leidde tot een duurzame samenwerking onder de naam ‘Cracking Art loves William Sweetlove’. Het basismateriaal van hun gezamenlijk oeuvre is een procédé van plastiek geproduceerd via een thermisch-chemische reactie (cracking) in natuurlijke ruwe olie.
Het nieuwe collectief gelooft in de sociale impact van kunst door middel van een ‘strategische’ verwevenheid met relativerende ironie. In hun ‘manifest’ pleiten ze voor een nieuwe visie op de wereldproblematiek, voor een nieuwe, meer verantwoorde, ecologische aanpak en het toevoegen van een vleugje ‘betere smaak’ als tegengif voor een maatschappij gesatureerd door overproductie en overconsumptie.
William Sweetlove heeft een enorm vattingsvermogen en een onweerstaanbare gedrevenheid om de wereld rondom hem het herscheppen. Hij is vernieuwend en transponeert dit in zijn oeuvre door het gebruik van een grote verscheidenheid aan materialen als huiden, textiel, in polyester ondergedompelde foto’s of objecten en stillevens met in plastiek gekloond fruit en andere etenswaren gemerkt met verf.
Sinds 1994 is het werk van William Sweetlove opgemerkt op talrijke internationale kunstbeurzen, in galerijen en in musea. Sinds 2001 wordt hij vertegenwoordigd door de Guy Pieters Galleries en samen met ‘Cracking Art’ is hij tot eind 2005 te gast op de Biennale van Venetië.
Zijn oeuvre is aanwezig in de collectie van de meest gerenommeerde kunstkenners en musea.t

Interview WTV-FOCUS : http://www.focus-wtv.tv/video/william-sweetlove-te-gast-alles-goed

 

sweetlove koksijde

Tamir Moshe

tamir portretMoshe Tamir s’affirme avec une étrange autorité. Il peint au couteau ou à la brosse dure, dans un jeu rapide et nerveux de touches multicolores. Coloriste avant tout, il mène ses toiles tambour battant, nous donnant l’impression de contempler des vitraux, des échelles ou des tentures sacrées aux signes cabalistiques parfois assez proches de l’art inca. Il n’est point « un » abstrait. Toutes ses peintures ont une signification. Il s’agit, selon les appellations de l’artiste lui-même, tantôt de portraits, tantôt de cavaliers, tantôt d’étés indiens, de fauves ou de réquiems pour le Sinaï.
Avec puissance, il célèbre autant la recherche du temps perdu que le premier couple, le peintre et son modèle, le jeu, l’amour et toujours le bruissement passionné de la vie et la vibration d’un fantastique, ancré dans le passé et porteur d’un message exceptionnel de courage physique, d’espérance et d’optimisme, qui secoue les torpeurs et stimule les énergies.
Ont sort de là étourdi d’images inattendues et de coloris somptueux. On subit l’hypnose de ce peintre magicien, qui nous prends dans les rets d’une séduction étrange et chaleureuse.
Les couleurs chatoyantes naissent du jeu de touches généreuses de peintures posées verticalement ou à l’horizontale, provoquant une sensation étonnante de vibration, à quoi le souvenir du kaléidoscope et des miroitements de lamelles de verre multicolores n’est pas étranger.
On en finirait pas d’évoquer ces fulgurances colorées et ces effets solaires, qui animent toutes ses images à la fois archaïques, irréelles et fantastiques…

tamir cabaret

tamir0001

Ting Walasse

tingWALASSE TING werd in 1929 te Shanghai in de Volksrepubliek China geboren.
Overleed te New York in 2010.
Wijkt uit naar Frankrijk, waar hij in de vijftiger jaren te Parijs actief samenwerkt met Appel, Alechinsky en Jorn, stichtende leden van de COBRA-groep.
Vestigt zich in 1960 definitief in New York, maar houdt er in Amsterdam een studio-atelier op na, die hij deelt met Appel en Corneille, kunstenaars waarmee hij steeds een goede relatie onderhouden heeft.
Het oeuvre van Walasse TING is fleurig en kleurrijk. “De vrouw” staat bijna steeds centraal, omringd door veelkleurige papegaaien, vogels allerhande, gevlekte pony’s en speelse of slapende katten. Zijn werk is haast “vrouwelijk” te noemen en straalt nu eens een merkwaardige tederheid uit en is dan weer sterk erotisch geladen. Met een subtiele penseel- of pennetrek accentueert hij de “onschuld” en de vertederende schoonheid van de (Aziatische) vrouw en verheft haar tot een droomfiguur, waar iedere man finaal voor valt.
Walasse Ting werkt vooral met acryl op rijstpapier omdat hij met deze materie het best zijn gevoelens en filosofisch ideeëngoed kan uiten.

Het geheel van zijn oeuvre is bijzonder poëtisch en zou eventueel kunnen relateren met dat van Gauguin, Foujita en de verfijndheid van de kunst van Marie Laurencin.
Het oeuvre van Walasse TING is in het bezit van ’s werelds belangrijkste musea, als o.a. The Museum of Modern Art, Metropolitan, Guggenheim (allen New York); Stedelijk Museum van Amsterdam, Centre Georges Pompidou (Parijs); Silkeborg Kunstmuseum (Kopenhagen), The Israël International Museum (Jeruzalem) en behoort tot de belangrijkste internationale kunstcollecties.

walasse-ting-ding-xiongquan-acrylic10

Freshness, vitality and brilliant colour characterise Walasse Ting’s depictions of women, flowers, birds and animals executed in a powerful and highly individualistic style. His seductive, magical world is one of sensory pleasure, appealing to all those who share his passion for the beauty of the natural world.
Born in Shanghai in 1929, Ting studied briefly at the Shanghai Art Academy before leaving China in 1946 to come to Hong Kong, where he exhibited a few watercolours at a local bookstore. In 1950 he sailed for France, eventually arriving in Paris without money, friends or lodging. He lived as a poor struggling artist for six years, absorbing the city and for the first time being exposed to Western art, especially the Expressionist movement and the works of Picasso. An important influence was the Belgian artist, Pierre Alechinsky, who discovered Ting sleeping on bare boards in a tiny attic room and became his lifelong friend.
Ting arrived in New York in 1958 at the height of the Abstract Expressionist period. He befriended the American artist, Sam Francis, and the movement had a profound influence on his work. Unlike in Paris, Ting could paint and sell his work. Bold dripping strokes featured in his paintings, which at that time were mainly poetic abstractions in the manner of the Paris-based Chinese artist, Zao Wouki. Only in the 1970s did Ting develop his now distinctive style using Chinese calligraphic brushstrokes to define outlines and filling flat areas of colour with vivid acrylic paint.
After more than 20 years in New York, Ting moved to Amsterdam, where he has a spacious studio. Although he broke away from his Chinese roots so long ago, he finds that the city’s trees and canals remind him of Hangzhou’s West Lake. He lived in both New York and Amsterdam, but like Gauguin, he also often visited Tahiti in search of the exotic colours that he loved.

walasse_ting portret   

Corneille & Walasse Ting (picture by Nico Delaive Gallery)

Corneille & Walasse Ting

 

foto’s met dank aan

Nico Delaive