Categorie archief: Schrijfsels

Buysse, Léon Georges

Léon-Georges Buysse werd te(Gent geboren op 2 februari 1864 en overleed er op 27 februari 1916.
BUYSSE PORTRETHij was den zoon van Augustin Buysse (Nevele, 1832-Gent, 1920), Gents grootindustrieel in katoen, ‘Baertsoen & Buysse’ en van Emma Hauff (1835-1865), afkomstig uit Beieren.  Georges huwde in 1887 met Marthe Baertsoen (1868-1958), zus van de Gentse kunstschilder Albert Baertsoen en dochter van de zakenvennoot van vader Augustin  Buysse.

De verwantschappen van Georges Buysse zijn merkwaardig. Langs vaderszijde was hij een neef van de letterkundige Cyriel Buysse en langs moederszijde was hij verwant met de Duitse romantische dichter Wilhelm Hauff. Er was ook een nauwe familieband met de gezusters Rosalie en Virginie Loveling, beide letterkundigen, en met prof. Julius Mac Leod.

Léon-Georges Buysse werd opgeleid voor de textielindustrie waar hij zijn vader zou opvolgen. Om zich te bekwamen liep hij stage bij katoenspinnerijen in Duitsland en Engeland. Toen zijn vader ziek werd nam Georges de leiding van het ouderlijk bedrijf over. Na zijn huwelijk kreeg hij de leiding definitief toevertrouwd.
In zijn vrije tijd was Buysse actief als een gedreven, talentrijk  beeldend kunstenaar. Hij volgde lessen bij de Gentse schilder Louis Tytgadt en bezocht ook veel musea. Emile Claus, die tot zijn vriendenkring behoorde, gaf hem als vriend ook heel wat praktische vaardigheden mee.

buysse dreefGeorges Buysse is wellicht niet de meest bekende van de luministen maar speelde als medeoprichter van de groep’Vie et lumière’ een niet onbelangrijke rol bij de verspreiding van het impressionisme en neo-impressionisme in Vlaanderen.
Hoewel hij vanaf 1890 meer kleur gaat gebruiken en meer licht in zijn werk brengt, blijven een lichte toets, subtiele kleurnuances en een ingetogen poëtische beeldtaal constante kenmerken in het oeuvre van Buysse. Het eenvoudige maar schitterende spel van horizontale en verticale lijnen in de compositie bewijst bovendien dat hij niet alleen een opmerkelijk colorist is maar tegelijkertijd een scherpe blik heeft op de realiteit.

Aanvankelijk nam Buysse niet deel aan tentoonstellingen. Hij zou pas in 1894 naar buiten treden als kunstschilder, daartoe aangezet door zijn vrienden als o.a.Emile Claus. Hij deed dat met twee ‘sneeuweffecten’ in het Salon 1894 van de ‘Société Nationale des Beaux-Arts’ in Parijs.
In eerste instantie  stelde hij enkel in het buitenland tentoon: Parijs, Venetië, Barcelona, Londen, Berlijn, Verenigde Staten… Pas vanaf 1900 trad hij in eigen land.naar buiten.
Hij stelde tentoon in salons van ‘La Libre Esthétique’ in Brussel, in deze van de Gentse – en van de Brusselse kunstkringen.
Landschappen en Gentse stadsgezichten, gezichten op tuinen van riante buitenverblijven in het Gentse waren zijn geijkte thema’s.

Van 1899 af leed hij aan een ziekte waarvoor nooit een duidelijke diagnose werd gesteld. Samen met Emile Claus trok hij voor enkele maanden naar Zuid-Frankrijk en Noord-Italië voor een rustkuur. Hij bezocht de buurt van Nice waar hij in Saint-Jean-Cap-Ferrat, Villefranche heel wat zonovergoten pastels schilderde.

Georges Buysse vestigde zich in 1900 te Wondelgem, in een prachtig landhuis ‘Ter Vaert’ getekend door de befaamde art-nouveau-architect Paul Hankar. Hij had er een uitzicht op het Kanaal Gent-Terneuzen. Dat kanaal en de scheepvaart erop –en dit in alle jaargetijden en klimatologische omstandigheden- zou dan een allesoverheersende rol gaan spelen in zijn oeuvre.

buysse dref mt kinderenBuysse was in 1904 te Brussel medestichter van de kring ‘Vie et Lumière’, een kring die luministische kunstschilders groepeerde. Anna Boch, William Degouve de Nuncques, James Ensor, Adrien-Joseph Heymans, Georges Lemmen, Emile Claus, Jenny Montigny, Anna De Weert, Edmond Verstraeten, Aloïs De Laet, Georges Morren, Willem Paerels, Rodolphe De Saegher en Alfred Hazledine behoorden tot de vaste waarden.

Na 1910 kwam door ziekte nog amper tot schilderen. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog week hij uit naar Engeland, al was hij toen reeds ernstig ziek. Hij keerde echter al spoedig terug via Nederland en overleed in 1916 te Gent.

Zijn oeuvre

Zijn vroegste werk was realistisch tot pre-impressionistisch van stijl en hoofdzakelijk somber van coloriet. Het sloot qua thematiek en sfeer nogal aan bij het werk van zijn schoonbroer Albert Baertsoen. Zijn palet werd – vooral onder invloed van Emile Claus en de zuiderzon die hij tijdens zijn verblijf in Zuid-Frankrijk ontdekte – helder en hij nam stilaan meer impressionistische en luministische stijlkenmerken over. Door zijn lidmaatschap van ‘Vie et Lumière’ onderschreef hij ten volle het luminisme – met het uitbundig benadrukken van licht en lichteffecten in de schilderkunst.

Georges_Buysse.Kanaal Gent-Terneuzen in de winter

Georges_Buysse.Kanaal Gent-Terneuzen in de winter

 

Advertenties

LA FONTAINE Marie-Jo

DE VEELZIJDIGE WERELD VAN MARIE – JO !

lafontaineMarie-Jo Lafontaine werd  in 1950 te Antwerpen geboren en is een vaak geroemde  Belgische beeldend kunstenares, fotografe en videokunstenares.

De Vlaams-Brusselse kunstenares Marie-Jo Lafontaine beoefent drie erg verschillende kunstdisciplines. Naast haar dynamische video-installaties gaat het enerzijds om bewerkte portretfotografie en anderzijds om monochroom (éénkleurig) geschilderde panelen.
Soms combineert ze haar verschillende kunstvormen in een ‘Gesamtkunstwerk’.

Een spel van kleurcontrasten verbind thaar monochromen met elkaar. Ze zijn zo opgesteld dat vanuit elk gezichtspunt een koude kleur een warme kleur flankeert.
Hoewel ze in olieverf zijn geschilderd, zijn de monochromen geen puur tweedimensionale schilderijen. Niet alleen de beschilderde oppervlakten, maar ook de flanken zijn van essentieel belang. Daardoor functioneren de monochromen ook ruimtelijk, als sculpturen. De schuine zijkanten in fluorescerend geel toveren een heldere reflectie op de witte muur, alsof zich achter de werken een lichtbron zou bevinden. Op die manier lijken de monochromen, omringd door een stralenkrans, los van de wand te zweven.Lafontaine bg_image

Marie-Jo Lafontaine vertoont ook postmoderne trekken in haar vormgeving. Dit toont zich in de mooie wijze waarop ze haar video’s ensceneert. Maar het is vooral te merken aan haar andere artistieke uitingen.
Zij startte als schilder en is schilder gebleven. Zij werd bekend voor haar monochromen, eenkleurige schilderijen, die tot stand komen door herhaaldelijk- terug het repetitieve – lagen verf over elkaar te schilderen. In de jaren zeventig waren dat vaak zwartvarianten. Vanaf de jaren tachtig worden dat zeer ongewone kleuren. Het zoeken naar de juiste kleur is voor haar geen zuiver kleurprobleem. De avant-garde monochrome schilderkunst wilde enkel het kleurzijn van de kleur tonen: het blauw van Yves Klein bijvoorbeeld, de kleur als bijdrage aan de vormgeving.

Marie-Jo Lafontaine woont en werkt in Schaarbeek. Ze studeerde aan het Hoger Instituut La Cambre in Brussel (1975-1979).

Ze behaalde de Prix Jeune Peinture Belge (1977), werd geselecteerd voor de documenta in Kassel met Larmes d’Acier (1987), functioneerde als Vlaams Cultureel Ambassadeur (1998), maakte een kunstwerk voor het justitiepaleis van Bonn en voor de luchthaven van Stockholm, ontwierp een reeks postzegels voor de Belgische Post (2001), deed de scenografie voor Fidelio in de Opera van Nancy (2001) en verzorgde de videoprojecties op de wolkenkrabbers van Frankfurt tijdens de openingsceremonie van de Wereldbeker voetbal (Duitsland, 2006).

Lafontaine had een ruime expositie in Parijs (Galerie nationale du Jeu de Paume, 1999), Geukens & Devil 2006) en een overzichtstentoonstelling in Angers (2007). ‘Come to me’ in de Brusselse Botanique (december 2008 – februari 2009) werd haar eerste grote tentoonstelling in de Belgische hoofdstad, de stad waar ze zelf woont en werkt.In 2012 exposeerde ze in Gent (Museum Dr. Guislain’ en ook bij Guy Pieters Gallery in Knokke.

la fontaine art

(pictures expo Geukens & Devil) 

Nikifor

Nikifor

Nikifor Krynicki ,Krynica Zdrój, 21 mei 1895 – Folusz (gemeente Dębowiec), 10 oktober 1968)-was een dakloze Poolse schilder van naïeve kunst.

Hij behoorde tot de gediscrimineerde etnische minderheid der Lemken en groeide op in armoede. Zijn moeder was Jewdokia Drowniak, dochter van Hryhorio en Tatiana die van haar meisjesnaam Krynicka heette. Jewdokia verrichtte zeer nederig werk in de vele pensions van Krynica en leefde met haar kind in afzondering. Er werd gezegd dat ze haar kind als een bundeltje achterliet onder de brug als ze uit werken ging.
Zijn vader was onbekend, naar veronderstelling was hij een Pool en een van de vele kunstenaars die in villa ‘Drie Rozen’ verbleven, het grootste logement in Krynica.

Tijdens WO I werd hij wees. Nikifor had een gehoor- en een spraakgebrek en was niet in staat behoorlijk te communiceren. In zijn omgeving werd hij vernederd, uitgelachen en behandeld als een dwaas.
Pas veel later werd ontdekt dat zijn spraakproblemen werden veroorzaakt door een vastgegroeide tong. Hij was dakloos en aanvankelijk hield hij zich met bedelen in leven.
Tijdens een verblijf in een ziekenhuis maakte hij kennis met aquarelleren.

Nikifor1981_01NikiforOmstreeks 1915 begon hij te schilderen. Hij beschilderde stukken weggeworpen papier en sigarettenpakjes die hij aan voorbijgangers verkocht in het kuuroord Krynica Zdrój.
Hij noemde zichzelf Nikifor Matejko, een verwijzing naar de beroemde Poolse kunstenaar Jan Matejko, waarmee hij benadrukte hoezeer hij zichzelf als professioneel kunstenaar zag.
Als autodidact gebruikte hij een verscheidenheid aan materialen, waaronder aquarel, gouache en krijt.
Zijn eerste voorbeelden waren goedkope ansichtkaarten en iconen van de Grieks-katholieke kerk. Hij maakte afbeeldingen van het platteland of van uiterst gedetailleerde gebouwen. Aan de onderkant van de afbeeldingen staan vaak inscripties die niets betekenen, maar de suggestie van geletterdheid moeten wekken. In werkelijkheid was hij analfabeet of laaggeletterd.

nikifor-obrazNikifor was dan wel een ‘straatschilder’ en autodidact maar hij had ongetwijfeld  een aangeboren kunstgevoel.
Dankzij het echtpaar Ella en Andrzej Banach, kunsthistorici uit Krakau, kreeg het werk van Nikifor  het aanzien dat het verdiende. Door hun gedrevenheid en mecenaat circuleerden zijn schilderijen als deel van de Poolse en Europese kunst wereldwijd. In 1959 opende een tentoonstelling in de Parijse galerieDina Vierny de deuren voor succes. In 1967 werd hij geëerd met een solotentoonstelling in de Zachety Galerie in Warschau.

Tijdens zijn leven was er toch wel een gematigde vorm van erkenning. Voor WO II werd zijn werk tentoongesteld in verschillende Europese hoofdsteden maar Nikifor kreeg pas de verdiende faam en populariteit  in het laatste decennium van zijn leven. Verschillende musea en privécollecties wereldwijd hebben zijn werk in hun collectie.

www.youtube.com/watch?v=Jlyl0Q6UuPU

Nikifor overleed op 10 oktober 1968 in het sanatorium van Folusz. Hij werd begraven op de begraafplaats van Krynica.

 

Maghien (Le) – Maghe Didier

MAGHIËRS BRENGEN HOOP EN VERLICHTING

maghien portretSinds 1999 is Didier Maghe in de ban van het universum van de Maghiërs. Door deze imaginaire wezens openbaart zich een  wereld  puur en vol licht. Zwevend als engelen willen deze wonderlijke figuren via hun positieve signalen  de aardbewoners tot verdraagzaamheid bewegen en hun fysische en psychische ongemakken helen . Lichaam en geest van Maghiërs zijn vederlicht maar toch zo gevuld . De energie die ze uit de kosmos ontvangen, geven ze in veelvoud terug. Zelf leiden ze een zorgeloos bestaan want alles aan Maghiërs  is positief.
Ze willen eenieder gelukkig zien. Maghiërs verplaatsen zich door middel van stralingen in het heelal. Ze houden van reizen. Een snelheid die vaak deze van het licht overschrijdt brengt hen naar het aardse wezen dat,door hun antennes gecapteerde signalen, nood heeft aan kracht en weerbaarheid. Het is hun missie daar verlichting te brengen waar  iets fout loopt.

maghien 1Maghiërs zijn niet gebonden aan strikte leefregels of wetten. Precies daardoor zijn ze vrij van zorgen en stralen ze met grote gulheid optimisme uit. Hun motto is te vatten in één uitdrukking: respect hebben voor elkaar. Jaloersheid en afgunst kennen ze niet. Dat maakt hun ‘zijn’ zo eenvoudig. Hun leven is oneindig, zo ook hun kracht. Hun leefwereld is voor wie niet in hun mythische, helende kracht gelooft, imaginair. Wie in hun verhaal meegaat zal zich snel aan de Maghiërs optrekken en hun rust en energie tot zich nemen. Zo komen lichaam en geest opnieuw in balans en gaat een mens zich gelukkig voelen en bevrijd weten van zorg en kommer.

Didier Maghe noemt zich niet hun geestelijke vader maar eerder  een geestesgenoot. Hij gaf ze een plastische  vorm en visualiseerde hun ‘bestaan’. Precies omdat hij deels werelds is  maar ook deels  Maghiër blijft de kracht van deze guitige wezens groeien en mist ze haar uitwerking niet.
Als de Maghiër een glimlach van vreugde of verwondering  uitlokt, is zijn missie grotendeels geslaagd.
Dit gevoel krijg je bij het aanschouwen en betasten van deze wonderlijke schepsels die de planetaire bevolking, lichtjaren van elkaar verwijderd,  gelukkig willen zien. Zoals bij eender welke beleving van geloof moet je je hier ook  laten meedrijven op hun wolken en openstaan voor hun magie. Eens je je in hun verhaal plaatst, ga je het leven relativeren en word je vrolijk en ontspannen.
In vloeiende, esthetische vormen ontstaat met deze creaties een wereld die het midden houdt tussen verbeelding en realiteit. Een universum bevolkt door wezens die teren op gevoel en levenskwaliteit .
Is hij werkelijk de vrucht van verbeelding en idolatrie? Ja en neen. De Maghiër brengt zijn troostende en helende kracht over naar wie in hem gelooft en zich aan zijn  fysieke aanwezigheid en uitstraling optrekt en er alsmaar beter van wordt  !

maghien Vacances-dété

Paik Nam June

NAM JUNE PAIK: een overzicht van een inventieve carrière

Nam_June_Paik_at_the_Bob_Benhamou_gallery_in_ParisNam June Paik werd op 20 juli 1932 geboren in Seoel en overleed op zondag 19 februari 2006 in zijn woning te Miami.

Onder druk van de oorlog in Korea vlucht de familie Paik in 1949 via Hong Kong naar Tokio, waar hij van 1952 tot 1956 aan de universiteit muziek- en kunstwetenschappen en Westerse esthetica studeert.

In 1957 ontmoet hij Karl-Heinz Stockhausen en het volgende jaar de Amerikaanse componist John Cage.

Het is vooral Cage die Paik diepgaand heeft beïnvloed. In zijn kunst maakte Cage de ideëen van Marcel Duchamp en zijn ‘ready mades’ bekend aan een hele generatie  jonge kunstenaars en performers. Voor het overgrote deel van zijn muziek/video performances werkte de kunstenaar samen met de celliste Charlotte Moorman.

Lang voor hij tot ‘Paus van de videokunst’ wordt gekroond, experimenteert de performer/kunstenaar met weggegooide geluidstapes die hij meeneemt uit de radiostudio’s van de WDR in het Duitse Wuppertal. Tot 1963 hield hij zich hoofdzakelijk bezig met fluxus, muziekcollages en performances, waarbij hij vaak absurd agressief te werk ging. Het meest representatieve voorbeeld uit de periode is ongetwijfeld zijn ‘Hommage to John Cage’ uit 1959 voor geluidsband en piano, waarin de componist de traditionele instrumentatie en compositiepraktijk ter discussie stelde. Het stuk vormt in de carrière van Paik ook een belangrijk breekpunt tussen zijn zuiver muzikale bezigheden en zijn activiteiten als performer/videokunstenaar, een richting waarin hij vanaf 1963 steeds meer zal evolueren.

Heel vroeg in zijn carrière maakte Paik al gebruik van het vrouwelijk lichaam om aan zijn avant-gardistische uitvoeringen van muziek een seksuele lading te geven.

Het vrouwelijk naakt functioneerde, ook bij tal van andere gelijkgestemde kunstenaars,  binnen performances vaak in een niet-geërotiseerde en alledaagse setting. Het vrouwelijk naakt had zo een vervreemdend en zelfs shockerend effect, doordat seksualiteit telkens uit het ‘verboden terrein’ van de erotiek werd gehaald. Aan de publieke ontkleding werd onder invloed van Flower Power en hippiebewegingen een seksueel bevrijdende en antiburgerlijke functie toegeschreven.

‘Exposition of Music-Electronic Television’ (1963) was zijn eerste grote expositie met televisie-toestellen. Deze tentoonstelling was meer dan een uiting van anti-kunst of het dwangmatig streven naar originaliteit in de kunst, het was kritiek op een medium, dat het sociaal leven steeds meer leek te bepalen in plaats van er een meerwaarde aan toe te voegen. Wat Paik vooral ontgoochelde aan het medium televisie was het eenrichtingsverkeer van de communicatie, de kijker had immers geen wederwoord op de voortdurende beeldenstroom die hem van alle kanten leek te bestoken.

Paik behoorde tot de generatie die de ‘invasie’ van de televisie had meegemaakt en er hoge verwachtingen van koesterde. Deze werden geenszins ingelost. Televisie werd in de eerste plaats een middel voor massacommunicatie. Veel van zijn installaties zijn erop gericht om de communicatie met de kijker te herstellen en aldus van het medium een democratischer instrument te maken. Paik zal de technische en creatieve mogelijkheden van televisie uitbuiten, precies om te wijzen op de dreigende vervlakking die het gevolg is van het medium ‘televisie’. Deze vingerwijzing visualiseert hij door op de schermen beelden te projecteren die de kijker tot relativering en contemplatie moeten aanzetten. Enkele voorbeelden:

Onder het motto ‘television tortured the intellectuals for a long time…it is about time that the intellectuals torture television’ bracht hij in de beeldenstroom allerhande vervormingen, vertragingen en verkleuringen aan. Aanvankelijk waren die beeldmanipulaties beperkt, om storingen te veroorzaken werden hoofdzakelijk magneten gebruikt, vanaf 1969 werden zijn mogelijkheden enorm uitgebreid door het gebruik van een ‘videosynthesizer’ die hij samen met de de New Yorkse technicus Shuya Abe had ontwikkeld, een vernuftig instrument dat kleur en vorm vrij makkelijk kon manipuleren.

Nam June Paik Watchdog-II

Vanaf het midden van de jaren ’70 worden zijn installaties steeds omvangrijker en legt Paik meer de nadruk op het sculpturale karakter ervan. Zo realiseert hij in 1986 zijn ‘Family of Robot’ en halfweg de jaren ’90 megalomane videowalls zoals ‘Electronic Superhighway, Continental U.S.’ en ‘Fin de Siècle Man’.

Van de Woestijne Gustave

gvdw PORTRETGustaaf van de Woestijne (Gent, 2 augustus 1881 – Ukkel, 21 april 1947) liep school aan het Gentse atheneum en volgde nadien de lessen aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van zijn geboortestad.
Zijn voornaamste leraars waren  er Louis Tijtgadt en Jules Van Biesbroeck.

Gustaaf vervoegde in april 1900 zijn broer, schrijver-dichter Karel, die verbleef in een huisje aan de Latemstraat 43. Hij bleef er tot 1904.

Daar borstelde hij zijn legendarisch geworden portretten van Deeske Cnudde, het portret van Josephine Destandberg en dit van Elisabeth de Saedeleer.

Later vestigde hij zich in het huis aan de Latemstraat 16 waar hij over een ruim atelier beschikte. gustaaf van de woestijne - het boerinnetje
In 1905 kreeg hij gedurende enkele weken Albert Servaes als logé. Gustaaf van de Woestijne, hijzelf verkoos de Franse schrijfwijze  Gustave, behoorde tot de stichters van de Eerste Latemse Groep.
Ook hij kwam net als zijn vriend Valerius de Saedeleer erg onder de indruk van de tentoonstelling Vlaamse Primitieven (Brugge 1902) en deze eerste gezamenlijke expositie van Vlaamse grootmeesters zou zijn levensvisie en latere oeuvre sterk beïnvloeden. Gustave wordt sterk religieus gericht, zodanig zelfs dat hij in 1905 gedurende zes weken in de abdij ‘Keizersberg’ te Leuven gaat bezinnen en eenmaal terug in het kunstenaarsdorp zijn naastenliefde getuigt door het verplegen van zware zieken en ouderlingen.

In december 1906 vestigt hij zich opnieuw in de vroegere woonst van zijn broer Karel, waar hij zijn belangrijkste werken op doek brengt. Hij huwt in 1908 de Prudence De Schepper  en samen verlaten ze Sint-Martens-Latem om zich, na korte verblijven te Leuven, Etterbeek en Tiegem, tijdens de Eerste Wereloorlog in Engeland te vestigen waar ze ook Minne en de Saedeleer terugvinden. Na de oorlog woonde Van de Woestijne  achtereenvolgens i n Waregem, Mechelen – waar hij directeur werd van de stedelijke academie – en in Ukkel, waar hij op 21 april 1947 overleed.
Hij ligt begraven op het’Campo Santo’ te Sint-Amandsberg.

Van de Woestijne was ook docent schilderkunst aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen. Van 1928 tot 1931 doceerde hij het vak monumentale schilderkunst aan het ‘Hoger Instituut voor Sierkunsten van Ter Kameren’ in Brussel.
Hij bleef echter, ondanks deze officiële opdrachten, een avant-gardist.
Hij was onder andere te gast in de Brusselse galerie ‘Le Centaure’ en kreeg in 1929 zelfs een solotentoonstelling in het Brussels Paleis voor Schone Kunsten.
Hij maakte samen met onder meer Gust. De Smet en Frits Van den Berghe deel uit van de kunstkring ‘Les 9’. Met hen werd hij tien jaar later lid van de kring ‘Les Compagnons de l’Art’.
Vanaf 1928 kreeg Van de Woestijne de steun van het Brusselse echtpaar David en Alice van Buuren. Voor hen maakte hij een grote hoeveelheid werk. De grootse openbare collectie van Gustaves werk is overigens te zien in het ‘Museum van Buuren’ in Ukkel.

GUST VDW DEES

Van den Abeele Albijn (Binus)

binus vda portretBinus Van den Abeele (1835-1918), burgemeester, gemeentesecretaris, letterkundige en kunstschilder werd te Sint-Martens-Latem geboren in de ouderlijke hoeve aan de Zevecotestraat 7.
Hij was gemeenteraadslid, schepen, burgemeester (1869-1876), en gemeentesecretaris (1876-1909) in Sint-Martens-Latem.

Bevriend met Xavier De Cock die hem tot de schilderkunst aanzette, liet hij toch een 150-tal kwalitatief hoogstaande schilderijen na, landschappen die sterk relateren met het oeuvre van Xavier en César De Cock. Hij was de schilder van de natuur en de ‘zingende bossen’, welke hij weergaf in zijn typische, verfijnde, realistische stijl met een grote zin voor detail, kleurweergave en poëzie.
BINUS BOSLANDSCHAP 1913 DOEK 51 op 65 EST 7 a 10000Paul Haesaert en met hem vele kunstliefhebbers en recensenten noemde Binus ‘de autochtone stamvader van de ‘Latemse Schilders’.
In de winter 1874-75 schilderde Binus zijn eerste landschapje, ‘een studieke’ zoals hij het zelf noemde.

Naast kunstschilder was hij een begaafd letterkundige en heemkundige. Hij schreef streekromans en novellen als ‘Karel en Theresia’, ‘Een Dorpsbeschaver’ en heemkundige studies ‘De Geschiedenis van Sint-Martens-Latem’ (1863); ‘De Geschiedenis van Deinze’ (1865).
In 1875 ruilt hij zijn pen voor penseel en schilderspalet. Zijn liefde voor de schilderkunst, zijn ambt als secretaris en als rentmeester van weldoenster mw. Simonnet zorgden ervoor dat hij heel wat kunstenaars naar Sint-Martens-Latem en de Leie kon lokken. Dat maakte van hem een gedroomd vertrouwensfiguur voor een groep die later een wereldvermaarde kunstenaarskolonie zou worden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Binus overleed in 1918  in zijn thans geklasseerd burgerhuis aan de Latemstraat 12. Hij kreeg een laatste rustplaats op het ‘oude kerkhof’ in de schaduw van het kleine torentje…

Montigny Jenny

Jenny MONTIGNY (1875-1937)

Montigny websiteJenny Montigny was tot haar twintigste strikt  gebonden aan die typische, strenge burgerlijke opvoeding eigen aan een welgesteld milieu. Van jongs af aan was ze al geboeid door kunst en ze was dan ook vastbesloten alles op alles te zetten om dit doel te bereiken en dat  tegen de wil van haar vader, Louis Charles Montigny, jurist, politicus en later hoogleraar aan de Gentse Universiteit, in . Haar moeder Yohanna Elena Mair was van Engelse afkomst.
Haar grote voorbeeld ontdekte ze eind 1892-begin 1893 in het Gentse Museum voor Schone Kunsten toen  ze vol bewondering stond voor het schilderij ‘De ijsvogels’ van Emile Claus, een kunstwerk  dat pas door de Stad Gent was aangekocht.

Vanaf 1895 trok ze regelmatig naar ‘Villa Zonneschijn’, het atelier van Emile Claus, in Astene om er zijn vrije schilderlessen te volgen.
In 1904 ruilde ze het burgerlijke Gent en koos ze voor een zelfstandig maar onzeker bestaan in Villa Rustoord te Deurle.

Na haar debuut op de Salon van Gent in 1902 exposeerde ze het volgende jaar in Parijs.
Jarenlang maakte ze er grote sier op de tentoonstellingen van de Société des Beaux-Arts.
Die deelname was uiterst succesvol want in 1906 kocht de Franse staat, lang voor een Belgisch museum, een schilderij van haar op de ‘Salon des Indépendants’.

Jenny-Montigny-Returning-to-the-Farm-1906

Jenny Montigny integreerde zich vlot in het eigentijdse kunstleven. Zo was ze actief in de luministische kunstenaarsvereniging ‘ Vie et Lumière’.
Exposeren deed ze vaak in Brussel, o.m. in de Waux-Hall van de ‘Cercle Artistique et Littéraire’ (1904).
In dat vroege werk ontdekte het Gentse tijdschrift La Tribune Artistique al de grote waarde van haar werk: “Laat ons stellen dat alles er jeugd in uitstraalt, illusie, charme, levensvreugde. De lente speelt erin, de zon, het licht, een aangename sfeer, de natuur in feest. Dat ziet, dat begrijpt en zegt deze jeugdige en reeds zeer gedreven kunstenares. Exposeren deed Montigny ook op de driejaarlijkse salons te Antwerpen, Brussel en Gent en daarnaast was ze regelmatig te gast in de Gentse Kunst- en Letterkring.

De Eerste Wereldoorlog bracht ze door in Londen waar ze onder meer actie was in ‘The Womens International Art Club’.

Die oorlogsjaren waren echter financieel rampzalig. Terug in Deurle zag ze zich verplicht haar villa te verkopen. Ze betrok dan een kleiner huisje in de Deurlese Pontstraat maar haar atelier moest ze onderbrengen in de Dorpsstraat. Vlakbij bevond zich de Sint-Jozefschool. Daar kon ze ongestoord haar geliefkoosde onderwerp bestuderen; de ravottende kinderen van Deurle. Jenny_Montigny.Kleuterschool_te_Deurle
De financiële problemen hielden echter aan. Van Emile Claus mocht ze meer dan eens financiële steun ontvangen; na zijn dood kreeg ze ruggensteun van haar zuster. In elk geval geeft deze materiële onzekerheid aan dat in het interbellum nauwelijks kopers voor haar werk te vinden waren. Jenny Montigny verdween tussen de twee wereldoorlogen een beetje uit beeld in de Gentse kunstwereld; aan de tentoonstellingen van de plaatselijke Cercle Artistique et Littéraire nam ze slechts heel sporadisch deel. Brussel bekoorde meer, getuige de herhaalde individuele tentoonstellingen. Montignys tentoonstellingen liepen in de kijker en haar werk werd ook in de ruimere pers zeer goed onthaald.
Van bij haar debuut werd ze door de kunstkritiek als een volgelinge van Claus beschouwd. Inzake stijl eerder een drang naar werkelijkheidsweergave had. Technisch onderscheidde ze zich zeker van Claus. Tegenover het Divisionisme en de analyse van Claus, was haar kunstvisie nogal algemeen en generaliserend. Ze zocht eerder de synthese op. Het was haar meer om een totaalindruk te doen, waarin de verschillende componenten met elkaar versmolten.
Anders dan Claus bezag ze het landschap als een fotograaf die door zijn lens kijkt.
Levensechte beelden dus. Bloemen en struiken verstoren vaak het gezichtsveld. Zo krijgt  de toeschouwer de illusie zich middenin het tafereel te bevinden.
Montigny schilderde in brede, spontane vegen die de synthetische kracht van haar doeken mede tot stand helpen brengen.

In tegenstelling tot Claus vormden de oorlogsjaren  voor Montigny een troosteloze tijd. In deze periode schilderde ze vooral in de omgeving van Hyde Park en de Kensington Gardens.
De grauwe, mistige atmosfeer leek haar op het lijf te zijn geschreven. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Anna De Weert, die andere leerlinge van Claus, heeft ze immers nooit in felle, spetterende kleuren gewerkt. Nog in Londen ontstonden ook interessante etsen.
Terug in België ging ze verder op de weg die ze reeds voor 1914 was ingeslagen.

montigny 1Tekenend voor haar oeuvre is dat Montigny veelal uitgesproken vrouwelijke thema’s veruiterlijkte .
In een cyclus over moeder en kind zette zij de fijnheid en tederheid van haar talent over in een samengaan van licht en vreugde. Ze tilde nooit zwaar aan –ismen. Voor haar telde enkel natuurlijkheid en de spontaniteit.
Interessant is evenzeer dat ze haar thema’s niet op een té vertederende manier bracht en het beeld altijd realistisch weergaf.
Die voorkeur voor menselijke intimiteit deed haar meer en meer van Claus verschillen. Zowel thematisch, technisch en coloristisch sprak ze een totaal andere taal…

Een beetje vereenzaamd van het artistieke milieu overleed ze in 1937 in haar huisje aan de Deurlese Pontstraat.

 

Bronnen: Wikipedia, Oscar Devos, DAC Sint-Martens-Latem

Verbanck Geo

verbanck geo portret

Geo Verbanck werd op 28 februari 1881 te Gent geboren. Hij overleed op 12 december 1961 te Aartselaar.
Op jonge leeftijd ging hij om den brode werken in ateliers van meubelmakers en beeldhouwers. Als zestienjarige schreef hij zich in aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Gent waar hij levend model en beeldhouwen volgde. In 1905 studeerde hij ook korte tijd aan de Brusselse Academie voor Schone Kunsten.

In 1909 werd zijn beeldhouwkunst bekroond met de Prijs van Rome.
verbanck geo brons

Van 1911 tot 1927 doceerde hij zelf beeldhouwkunst aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Dendermonde, de stad waar hij met Valentin Vaerwyck meewerkte aan de realisatie van het gerechtsgebouw.

van 1924 tot 1941 gaf hij les aan de Koninklijke Academie te Gent, waar hij ontelbare kunstenaars vormde en waar hij zijn loopbaan beëindigde als dienstdoende directeur.
Geo Verbanck was ook lid van de Stedelijke Commissie voor Monumenten en Stadsgezichten van Gent, adviserend lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, lid van de Commissie voor Beeldhouwkunst van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België te Brussel en lid van de Koninklijke Academie van België.

Hij realiseerde talrijke grafmonumenten op de Gentse begraafplaats  Campo Santo, ontwierp medailles en munten, maakte bustes en tekeningen.
Hij is daarenboven de beeldhouwer van het monument voor de gebroeders Van Eyck aan de Gentse Sint-Baafskathedraal , beeld ook naar een ontwerp van Valentin Vaerwyck .

verbanck tekeningGeo Verbanck  werd gevraagd voor heel wat tentoonstellingen en salons in binnen- en buitenland waar hij zijn werken exposeerde aan een ruim publiek.
Zijn oeuvre is overweldigend : toegepaste kunsten, vrije plastiek, grafmonumenten, portretmedaillons en borstbeelden, plaketten, monumentale plastiek, noodmunten, medailles, tekeningen.

In zijn vrije beeldende oeuvre kwamen meestal de thema’s van het kind, de vrouw en het gezin aan bod.
Heel dikwijls werd hij door gerenommeerde architecten of door overheidsinstanties aangezocht om in openbare gebouwen bas-reliëfs te integreren.

Geo Verbanck was geen avant-gardist. Hij wordt  meestal omschreven als een zeer begaafde en uiterst gevoelige kunstenaar, een toonbeeld van artistiek vakmanschap.

Zijn ambachtelijke vorming heeft hij steeds nuttig aangewend om – vooral in zijn vrije beeldhouwwerk – uiterst gevoelige kunstwerken te creëren.
Ook zijn monumentale oeuvre getuigt nog steeds niet enkel van een volleerde materialenkennis en -beheersing, maar ook van een weloverwogen inzicht in het doel en de mogelijkheden van het samengaan van beeldhouwkunst en architectuur.

<Verbanck werkte zowel in de Art-Deco stijl als volgens de regels van de klassieke beeldhouwkunst.
Het mysterieus slingerende van de Art Nouveau maakte plaats voor een meer lineaire, hoekiger, abstractere vormgeving uit de Interbellumperiode – heel dikwijls zelfs met het karakteristieke zigzagmotief in de drapering – en evolueerde na de Tweede Wereldoorlog naar een realistischer weergave met rondere vormen, die de toeschouwer in hoofdzaak moet beroeren door het uitgebeelde thema.>
  (Bron: Beschermingsdossier DW002449, Hannelore Decoodt).

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

bronnen: bron & fotorecht Stichting Geo Verbanck http://www.geoverbanck.be
Extra bronnen:Wikipedia, Galerie Oscar Devos, eigen archief en archieven Stad Gent