Categorie archief: Schrijfsels

Maghien (Le) – Maghe Didier

MAGHIËRS BRENGEN HOOP EN VERLICHTING

maghien portretSinds 1999 is Didier Maghe in de ban van het universum van de Maghiërs. Door deze imaginaire wezens openbaart zich een  wereld  puur en vol licht. Zwevend als engelen willen deze wonderlijke figuren via hun positieve signalen  de aardbewoners tot verdraagzaamheid bewegen en hun fysische en psychische ongemakken helen . Lichaam en geest van Maghiërs zijn vederlicht maar toch zo gevuld . De energie die ze uit de kosmos ontvangen, geven ze in veelvoud terug. Zelf leiden ze een zorgeloos bestaan want alles aan Maghiërs  is positief.
Ze willen eenieder gelukkig zien. Maghiërs verplaatsen zich door middel van stralingen in het heelal. Ze houden van reizen. Een snelheid die vaak deze van het licht overschrijdt brengt hen naar het aardse wezen dat,door hun antennes gecapteerde signalen, nood heeft aan kracht en weerbaarheid. Het is hun missie daar verlichting te brengen waar  iets fout loopt.

maghien 1Maghiërs zijn niet gebonden aan strikte leefregels of wetten. Precies daardoor zijn ze vrij van zorgen en stralen ze met grote gulheid optimisme uit. Hun motto is te vatten in één uitdrukking: respect hebben voor elkaar. Jaloersheid en afgunst kennen ze niet. Dat maakt hun ‘zijn’ zo eenvoudig. Hun leven is oneindig, zo ook hun kracht. Hun leefwereld is voor wie niet in hun mythische, helende kracht gelooft, imaginair. Wie in hun verhaal meegaat zal zich snel aan de Maghiërs optrekken en hun rust en energie tot zich nemen. Zo komen lichaam en geest opnieuw in balans en gaat een mens zich gelukkig voelen en bevrijd weten van zorg en kommer.

Didier Maghe noemt zich niet hun geestelijke vader maar eerder  een geestesgenoot. Hij gaf ze een plastische  vorm en visualiseerde hun ‘bestaan’. Precies omdat hij deels werelds is  maar ook deels  Maghiër blijft de kracht van deze guitige wezens groeien en mist ze haar uitwerking niet.
Als de Maghiër een glimlach van vreugde of verwondering  uitlokt, is zijn missie grotendeels geslaagd.
Dit gevoel krijg je bij het aanschouwen en betasten van deze wonderlijke schepsels die de planetaire bevolking, lichtjaren van elkaar verwijderd,  gelukkig willen zien. Zoals bij eender welke beleving van geloof moet je je hier ook  laten meedrijven op hun wolken en openstaan voor hun magie. Eens je je in hun verhaal plaatst, ga je het leven relativeren en word je vrolijk en ontspannen.
In vloeiende, esthetische vormen ontstaat met deze creaties een wereld die het midden houdt tussen verbeelding en realiteit. Een universum bevolkt door wezens die teren op gevoel en levenskwaliteit .
Is hij werkelijk de vrucht van verbeelding en idolatrie? Ja en neen. De Maghiër brengt zijn troostende en helende kracht over naar wie in hem gelooft en zich aan zijn  fysieke aanwezigheid en uitstraling optrekt en er alsmaar beter van wordt  !

maghien Vacances-dété

Advertenties

Paik Nam June

NAM JUNE PAIK: een overzicht van een inventieve carrière

Nam_June_Paik_at_the_Bob_Benhamou_gallery_in_ParisNam June Paik werd op 20 juli 1932 geboren in Seoel en overleed op zondag 19 februari 2006 in zijn woning te Miami.

Onder druk van de oorlog in Korea vlucht de familie Paik in 1949 via Hong Kong naar Tokio, waar hij van 1952 tot 1956 aan de universiteit muziek- en kunstwetenschappen en Westerse esthetica studeert.

In 1957 ontmoet hij Karl-Heinz Stockhausen en het volgende jaar de Amerikaanse componist John Cage.

Het is vooral Cage die Paik diepgaand heeft beïnvloed. In zijn kunst maakte Cage de ideëen van Marcel Duchamp en zijn ‘ready mades’ bekend aan een hele generatie  jonge kunstenaars en performers. Voor het overgrote deel van zijn muziek/video performances werkte de kunstenaar samen met de celliste Charlotte Moorman.

Lang voor hij tot ‘Paus van de videokunst’ wordt gekroond, experimenteert de performer/kunstenaar met weggegooide geluidstapes die hij meeneemt uit de radiostudio’s van de WDR in het Duitse Wuppertal. Tot 1963 hield hij zich hoofdzakelijk bezig met fluxus, muziekcollages en performances, waarbij hij vaak absurd agressief te werk ging. Het meest representatieve voorbeeld uit de periode is ongetwijfeld zijn ‘Hommage to John Cage’ uit 1959 voor geluidsband en piano, waarin de componist de traditionele instrumentatie en compositiepraktijk ter discussie stelde. Het stuk vormt in de carrière van Paik ook een belangrijk breekpunt tussen zijn zuiver muzikale bezigheden en zijn activiteiten als performer/videokunstenaar, een richting waarin hij vanaf 1963 steeds meer zal evolueren.

Heel vroeg in zijn carrière maakte Paik al gebruik van het vrouwelijk lichaam om aan zijn avant-gardistische uitvoeringen van muziek een seksuele lading te geven.

Het vrouwelijk naakt functioneerde, ook bij tal van andere gelijkgestemde kunstenaars,  binnen performances vaak in een niet-geërotiseerde en alledaagse setting. Het vrouwelijk naakt had zo een vervreemdend en zelfs shockerend effect, doordat seksualiteit telkens uit het ‘verboden terrein’ van de erotiek werd gehaald. Aan de publieke ontkleding werd onder invloed van Flower Power en hippiebewegingen een seksueel bevrijdende en antiburgerlijke functie toegeschreven.

‘Exposition of Music-Electronic Television’ (1963) was zijn eerste grote expositie met televisie-toestellen. Deze tentoonstelling was meer dan een uiting van anti-kunst of het dwangmatig streven naar originaliteit in de kunst, het was kritiek op een medium, dat het sociaal leven steeds meer leek te bepalen in plaats van er een meerwaarde aan toe te voegen. Wat Paik vooral ontgoochelde aan het medium televisie was het eenrichtingsverkeer van de communicatie, de kijker had immers geen wederwoord op de voortdurende beeldenstroom die hem van alle kanten leek te bestoken.

Paik behoorde tot de generatie die de ‘invasie’ van de televisie had meegemaakt en er hoge verwachtingen van koesterde. Deze werden geenszins ingelost. Televisie werd in de eerste plaats een middel voor massacommunicatie. Veel van zijn installaties zijn erop gericht om de communicatie met de kijker te herstellen en aldus van het medium een democratischer instrument te maken. Paik zal de technische en creatieve mogelijkheden van televisie uitbuiten, precies om te wijzen op de dreigende vervlakking die het gevolg is van het medium ‘televisie’. Deze vingerwijzing visualiseert hij door op de schermen beelden te projecteren die de kijker tot relativering en contemplatie moeten aanzetten. Enkele voorbeelden:

Onder het motto ‘television tortured the intellectuals for a long time…it is about time that the intellectuals torture television’ bracht hij in de beeldenstroom allerhande vervormingen, vertragingen en verkleuringen aan. Aanvankelijk waren die beeldmanipulaties beperkt, om storingen te veroorzaken werden hoofdzakelijk magneten gebruikt, vanaf 1969 werden zijn mogelijkheden enorm uitgebreid door het gebruik van een ‘videosynthesizer’ die hij samen met de de New Yorkse technicus Shuya Abe had ontwikkeld, een vernuftig instrument dat kleur en vorm vrij makkelijk kon manipuleren.

Nam June Paik Watchdog-II

Vanaf het midden van de jaren ’70 worden zijn installaties steeds omvangrijker en legt Paik meer de nadruk op het sculpturale karakter ervan. Zo realiseert hij in 1986 zijn ‘Family of Robot’ en halfweg de jaren ’90 megalomane videowalls zoals ‘Electronic Superhighway, Continental U.S.’ en ‘Fin de Siècle Man’.

Van de Woestijne Gustave

gvdw PORTRETGustaaf van de Woestijne (Gent, 2 augustus 1881 – Ukkel, 21 april 1947) liep school aan het Gentse atheneum en volgde nadien de lessen aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van zijn geboortestad.
Zijn voornaamste leraars waren  er Louis Tijtgadt en Jules Van Biesbroeck.

Gustaaf vervoegde in april 1900 zijn broer, schrijver-dichter Karel, die verbleef in een huisje aan de Latemstraat 43. Hij bleef er tot 1904.

Daar borstelde hij zijn legendarisch geworden portretten van Deeske Cnudde, het portret van Josephine Destandberg en dit van Elisabeth de Saedeleer.

Later vestigde hij zich in het huis aan de Latemstraat 16 waar hij over een ruim atelier beschikte. gustaaf van de woestijne - het boerinnetje
In 1905 kreeg hij gedurende enkele weken Albert Servaes als logé. Gustaaf van de Woestijne, hijzelf verkoos de Franse schrijfwijze  Gustave, behoorde tot de stichters van de Eerste Latemse Groep.
Ook hij kwam net als zijn vriend Valerius de Saedeleer erg onder de indruk van de tentoonstelling Vlaamse Primitieven (Brugge 1902) en deze eerste gezamenlijke expositie van Vlaamse grootmeesters zou zijn levensvisie en latere oeuvre sterk beïnvloeden. Gustave wordt sterk religieus gericht, zodanig zelfs dat hij in 1905 gedurende zes weken in de abdij ‘Keizersberg’ te Leuven gaat bezinnen en eenmaal terug in het kunstenaarsdorp zijn naastenliefde getuigt door het verplegen van zware zieken en ouderlingen.

In december 1906 vestigt hij zich opnieuw in de vroegere woonst van zijn broer Karel, waar hij zijn belangrijkste werken op doek brengt. Hij huwt in 1908 de Prudence De Schepper  en samen verlaten ze Sint-Martens-Latem om zich, na korte verblijven te Leuven, Etterbeek en Tiegem, tijdens de Eerste Wereloorlog in Engeland te vestigen waar ze ook Minne en de Saedeleer terugvinden. Na de oorlog woonde Van de Woestijne  achtereenvolgens i n Waregem, Mechelen – waar hij directeur werd van de stedelijke academie – en in Ukkel, waar hij op 21 april 1947 overleed.
Hij ligt begraven op het’Campo Santo’ te Sint-Amandsberg.

Van de Woestijne was ook docent schilderkunst aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen. Van 1928 tot 1931 doceerde hij het vak monumentale schilderkunst aan het ‘Hoger Instituut voor Sierkunsten van Ter Kameren’ in Brussel.
Hij bleef echter, ondanks deze officiële opdrachten, een avant-gardist.
Hij was onder andere te gast in de Brusselse galerie ‘Le Centaure’ en kreeg in 1929 zelfs een solotentoonstelling in het Brussels Paleis voor Schone Kunsten.
Hij maakte samen met onder meer Gust. De Smet en Frits Van den Berghe deel uit van de kunstkring ‘Les 9’. Met hen werd hij tien jaar later lid van de kring ‘Les Compagnons de l’Art’.
Vanaf 1928 kreeg Van de Woestijne de steun van het Brusselse echtpaar David en Alice van Buuren. Voor hen maakte hij een grote hoeveelheid werk. De grootse openbare collectie van Gustaves werk is overigens te zien in het ‘Museum van Buuren’ in Ukkel.

GUST VDW DEES

Van den Abeele Albijn (Binus)

binus vda portretBinus Van den Abeele (1835-1918), burgemeester, gemeentesecretaris, letterkundige en kunstschilder werd te Sint-Martens-Latem geboren in de ouderlijke hoeve aan de Zevecotestraat 7.
Hij was gemeenteraadslid, schepen, burgemeester (1869-1876), en gemeentesecretaris (1876-1909) in Sint-Martens-Latem.

Bevriend met Xavier De Cock die hem tot de schilderkunst aanzette, liet hij toch een 150-tal kwalitatief hoogstaande schilderijen na, landschappen die sterk relateren met het oeuvre van Xavier en César De Cock. Hij was de schilder van de natuur en de ‘zingende bossen’, welke hij weergaf in zijn typische, verfijnde, realistische stijl met een grote zin voor detail, kleurweergave en poëzie.
BINUS BOSLANDSCHAP 1913 DOEK 51 op 65 EST 7 a 10000Paul Haesaert en met hem vele kunstliefhebbers en recensenten noemde Binus ‘de autochtone stamvader van de ‘Latemse Schilders’.
In de winter 1874-75 schilderde Binus zijn eerste landschapje, ‘een studieke’ zoals hij het zelf noemde.

Naast kunstschilder was hij een begaafd letterkundige en heemkundige. Hij schreef streekromans en novellen als ‘Karel en Theresia’, ‘Een Dorpsbeschaver’ en heemkundige studies ‘De Geschiedenis van Sint-Martens-Latem’ (1863); ‘De Geschiedenis van Deinze’ (1865).
In 1875 ruilt hij zijn pen voor penseel en schilderspalet. Zijn liefde voor de schilderkunst, zijn ambt als secretaris en als rentmeester van weldoenster mw. Simonnet zorgden ervoor dat hij heel wat kunstenaars naar Sint-Martens-Latem en de Leie kon lokken. Dat maakte van hem een gedroomd vertrouwensfiguur voor een groep die later een wereldvermaarde kunstenaarskolonie zou worden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Binus overleed in 1918  in zijn thans geklasseerd burgerhuis aan de Latemstraat 12. Hij kreeg een laatste rustplaats op het ‘oude kerkhof’ in de schaduw van het kleine torentje…

Montigny Jenny

Jenny MONTIGNY (1875-1937)

Montigny websiteJenny Montigny was tot haar twintigste strikt  gebonden aan die typische, strenge burgerlijke opvoeding eigen aan een welgesteld milieu. Van jongs af aan was ze al geboeid door kunst en ze was dan ook vastbesloten alles op alles te zetten om dit doel te bereiken en dat  tegen de wil van haar vader, Louis Charles Montigny, jurist, politicus en later hoogleraar aan de Gentse Universiteit, in . Haar moeder Yohanna Elena Mair was van Engelse afkomst.
Haar grote voorbeeld ontdekte ze eind 1892-begin 1893 in het Gentse Museum voor Schone Kunsten toen  ze vol bewondering stond voor het schilderij ‘De ijsvogels’ van Emile Claus, een kunstwerk  dat pas door de Stad Gent was aangekocht.

Vanaf 1895 trok ze regelmatig naar ‘Villa Zonneschijn’, het atelier van Emile Claus, in Astene om er zijn vrije schilderlessen te volgen.
In 1904 ruilde ze het burgerlijke Gent en koos ze voor een zelfstandig maar onzeker bestaan in Villa Rustoord te Deurle.

Na haar debuut op de Salon van Gent in 1902 exposeerde ze het volgende jaar in Parijs.
Jarenlang maakte ze er grote sier op de tentoonstellingen van de Société des Beaux-Arts.
Die deelname was uiterst succesvol want in 1906 kocht de Franse staat, lang voor een Belgisch museum, een schilderij van haar op de ‘Salon des Indépendants’.

Jenny-Montigny-Returning-to-the-Farm-1906

Jenny Montigny integreerde zich vlot in het eigentijdse kunstleven. Zo was ze actief in de luministische kunstenaarsvereniging ‘ Vie et Lumière’.
Exposeren deed ze vaak in Brussel, o.m. in de Waux-Hall van de ‘Cercle Artistique et Littéraire’ (1904).
In dat vroege werk ontdekte het Gentse tijdschrift La Tribune Artistique al de grote waarde van haar werk: “Laat ons stellen dat alles er jeugd in uitstraalt, illusie, charme, levensvreugde. De lente speelt erin, de zon, het licht, een aangename sfeer, de natuur in feest. Dat ziet, dat begrijpt en zegt deze jeugdige en reeds zeer gedreven kunstenares. Exposeren deed Montigny ook op de driejaarlijkse salons te Antwerpen, Brussel en Gent en daarnaast was ze regelmatig te gast in de Gentse Kunst- en Letterkring.

De Eerste Wereldoorlog bracht ze door in Londen waar ze onder meer actie was in ‘The Womens International Art Club’.

Die oorlogsjaren waren echter financieel rampzalig. Terug in Deurle zag ze zich verplicht haar villa te verkopen. Ze betrok dan een kleiner huisje in de Deurlese Pontstraat maar haar atelier moest ze onderbrengen in de Dorpsstraat. Vlakbij bevond zich de Sint-Jozefschool. Daar kon ze ongestoord haar geliefkoosde onderwerp bestuderen; de ravottende kinderen van Deurle. Jenny_Montigny.Kleuterschool_te_Deurle
De financiële problemen hielden echter aan. Van Emile Claus mocht ze meer dan eens financiële steun ontvangen; na zijn dood kreeg ze ruggensteun van haar zuster. In elk geval geeft deze materiële onzekerheid aan dat in het interbellum nauwelijks kopers voor haar werk te vinden waren. Jenny Montigny verdween tussen de twee wereldoorlogen een beetje uit beeld in de Gentse kunstwereld; aan de tentoonstellingen van de plaatselijke Cercle Artistique et Littéraire nam ze slechts heel sporadisch deel. Brussel bekoorde meer, getuige de herhaalde individuele tentoonstellingen. Montignys tentoonstellingen liepen in de kijker en haar werk werd ook in de ruimere pers zeer goed onthaald.
Van bij haar debuut werd ze door de kunstkritiek als een volgelinge van Claus beschouwd. Inzake stijl eerder een drang naar werkelijkheidsweergave had. Technisch onderscheidde ze zich zeker van Claus. Tegenover het Divisionisme en de analyse van Claus, was haar kunstvisie nogal algemeen en generaliserend. Ze zocht eerder de synthese op. Het was haar meer om een totaalindruk te doen, waarin de verschillende componenten met elkaar versmolten.
Anders dan Claus bezag ze het landschap als een fotograaf die door zijn lens kijkt.
Levensechte beelden dus. Bloemen en struiken verstoren vaak het gezichtsveld. Zo krijgt  de toeschouwer de illusie zich middenin het tafereel te bevinden.
Montigny schilderde in brede, spontane vegen die de synthetische kracht van haar doeken mede tot stand helpen brengen.

In tegenstelling tot Claus vormden de oorlogsjaren  voor Montigny een troosteloze tijd. In deze periode schilderde ze vooral in de omgeving van Hyde Park en de Kensington Gardens.
De grauwe, mistige atmosfeer leek haar op het lijf te zijn geschreven. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Anna De Weert, die andere leerlinge van Claus, heeft ze immers nooit in felle, spetterende kleuren gewerkt. Nog in Londen ontstonden ook interessante etsen.
Terug in België ging ze verder op de weg die ze reeds voor 1914 was ingeslagen.

montigny 1Tekenend voor haar oeuvre is dat Montigny veelal uitgesproken vrouwelijke thema’s veruiterlijkte .
In een cyclus over moeder en kind zette zij de fijnheid en tederheid van haar talent over in een samengaan van licht en vreugde. Ze tilde nooit zwaar aan –ismen. Voor haar telde enkel natuurlijkheid en de spontaniteit.
Interessant is evenzeer dat ze haar thema’s niet op een té vertederende manier bracht en het beeld altijd realistisch weergaf.
Die voorkeur voor menselijke intimiteit deed haar meer en meer van Claus verschillen. Zowel thematisch, technisch en coloristisch sprak ze een totaal andere taal…

Een beetje vereenzaamd van het artistieke milieu overleed ze in 1937 in haar huisje aan de Deurlese Pontstraat.

 

Bronnen: Wikipedia, Oscar Devos, DAC Sint-Martens-Latem

Verbanck Geo

verbanck geo portret

Geo Verbanck werd op 28 februari 1881 te Gent geboren. Hij overleed op 12 december 1961 te Aartselaar.
Op jonge leeftijd ging hij om den brode werken in ateliers van meubelmakers en beeldhouwers. Als zestienjarige schreef hij zich in aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Gent waar hij levend model en beeldhouwen volgde. In 1905 studeerde hij ook korte tijd aan de Brusselse Academie voor Schone Kunsten.

In 1909 werd zijn beeldhouwkunst bekroond met de Prijs van Rome.
verbanck geo brons

Van 1911 tot 1927 doceerde hij zelf beeldhouwkunst aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Dendermonde, de stad waar hij met Valentin Vaerwyck meewerkte aan de realisatie van het gerechtsgebouw.

van 1924 tot 1941 gaf hij les aan de Koninklijke Academie te Gent, waar hij ontelbare kunstenaars vormde en waar hij zijn loopbaan beëindigde als dienstdoende directeur.
Geo Verbanck was ook lid van de Stedelijke Commissie voor Monumenten en Stadsgezichten van Gent, adviserend lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, lid van de Commissie voor Beeldhouwkunst van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België te Brussel en lid van de Koninklijke Academie van België.

Hij realiseerde talrijke grafmonumenten op de Gentse begraafplaats  Campo Santo, ontwierp medailles en munten, maakte bustes en tekeningen.
Hij is daarenboven de beeldhouwer van het monument voor de gebroeders Van Eyck aan de Gentse Sint-Baafskathedraal , beeld ook naar een ontwerp van Valentin Vaerwyck .

verbanck tekeningGeo Verbanck  werd gevraagd voor heel wat tentoonstellingen en salons in binnen- en buitenland waar hij zijn werken exposeerde aan een ruim publiek.
Zijn oeuvre is overweldigend : toegepaste kunsten, vrije plastiek, grafmonumenten, portretmedaillons en borstbeelden, plaketten, monumentale plastiek, noodmunten, medailles, tekeningen.

In zijn vrije beeldende oeuvre kwamen meestal de thema’s van het kind, de vrouw en het gezin aan bod.
Heel dikwijls werd hij door gerenommeerde architecten of door overheidsinstanties aangezocht om in openbare gebouwen bas-reliëfs te integreren.

Geo Verbanck was geen avant-gardist. Hij wordt  meestal omschreven als een zeer begaafde en uiterst gevoelige kunstenaar, een toonbeeld van artistiek vakmanschap.

Zijn ambachtelijke vorming heeft hij steeds nuttig aangewend om – vooral in zijn vrije beeldhouwwerk – uiterst gevoelige kunstwerken te creëren.
Ook zijn monumentale oeuvre getuigt nog steeds niet enkel van een volleerde materialenkennis en -beheersing, maar ook van een weloverwogen inzicht in het doel en de mogelijkheden van het samengaan van beeldhouwkunst en architectuur.

<Verbanck werkte zowel in de Art-Deco stijl als volgens de regels van de klassieke beeldhouwkunst.
Het mysterieus slingerende van de Art Nouveau maakte plaats voor een meer lineaire, hoekiger, abstractere vormgeving uit de Interbellumperiode – heel dikwijls zelfs met het karakteristieke zigzagmotief in de drapering – en evolueerde na de Tweede Wereldoorlog naar een realistischer weergave met rondere vormen, die de toeschouwer in hoofdzaak moet beroeren door het uitgebeelde thema.>
  (Bron: Beschermingsdossier DW002449, Hannelore Decoodt).

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

bronnen: bron & fotorecht Stichting Geo Verbanck http://www.geoverbanck.be
Extra bronnen:Wikipedia, Galerie Oscar Devos, eigen archief en archieven Stad Gent

Servaes Albert

servaes portretAlbert Servaes werd in april 1883 geboren in Gent.
Servaes is aanvankelijk handelsreiziger voor de specerijenhandel van zijn vader.In
1901 en 1902 volgt hij avondlessen aan de GentseAcademie en1905 vervoegt hij zijn geestesgenoten in Sint-Martens-Latem. Albert Servaes vormt volgens critici zowat de schakel tussen de Eerste en Tweede Latemse Groep, anderen spreken dat dan weer tegen. Wel staat vast dat hij een van de eerste Vlaamse expressionisten was. In eerste instantie trok hij in bij Frits Van den Berghe , later bij Gustave Van de Woestijne om dan in alle rust te gaan schilderen bij keuterboer en veelgevraagd schildersmodel Doorke Malfait aan de

Latemstraat 100. Hij bleef er 10 jaar. Toen hij in 1915 trouwde verhuisde hij naar de latere herberg ‘De Haan’ in de Brakelstraat. Op een boogscheut daar vandaan bouwde hij uiteindelijk in de Baarle-Frankrijkstraat zijn befaamde atelierwoning ‘Torenhuis’, later ‘Torenhof’ genoemd

servaes 1908

Zijn werk is aanvankelijk beïnvloed door Eugène Laermans en Gustave Van de Woestijne.
Het befaamde ‘Aardappeleters’ (1909) is naar alle waarschijnlijkheid zijn eerste expressionistische schilderij.

Na de Eerste Wereldoorlog krijgt het werk van Albert Servaes al een eerder religieus karakter.

Hij maakt een “Kruisweg” (1919) voor het Karmelietenkerkje in Luithagen. De dramatische voorstelling van de magere figuren was zo aanstootgevend, dat het werk in 1921 door de kerk uit de openbare ruimte wordt verwijderd. servaes kruisweg

Hij Verbleef van 1904 tot 1944 in Latem. Na de Tweede Wereldoorlog emigreert Albert Servaes naar Zwitserland, vooral uit angst voor represailles omwille van zijn sympathie voor de Duitse cultuurpolitiek. In Zwitserland houdt hij meestal die religieuze thema’s aan.

artiestenzolder-1230 SERVAES

Zijn latere werk is dan weer gekenmerkt door het benadrukken van lichteffecten.

Albert Servaes overleed in april 1966 in Luzern.

Atelierwoning 'Torenhof' van Servaes

Atelierwoning ‘Torenhof’ van Servaes

Verdegem Jos

josverdegemJos Verdegem werd geboren te Gent op 3 mei 1897. Vader en moeder Verdegem waren arbeiders in de Gentse textielindustrie.
Jos groeide op aan de Muide en ging er naar school. Als twaalfjarige ging Verdegem bij een huisschilder werken maar bezocht tegelijk in avondschool de Gentse Academie. Hij had les van Frits Van den Berghe, Carolus Tremerie en Henri Van Melle. De laatste twee jaren eindigde hij als primus van de tekenklas.

In 1913 volgde hij lessen ‘levend model’ bij George Minne. Hij had er onder meer Jules Boulez, Jules De Coster en Albert Saverys als medestudenten.
Bij het uitbreken van de oorlog meldde Verdegem zich als vrijwilliger.
Op 4 augustus 1914 raakt de zeventienjarige gewond en wordt naar Engeland overgebracht. Pas in 1916 komt hij terug en kon door bemiddeling van Marie Belpaire terecht in de zogenaamde Kunstcompagnie. Hij heeft er onder meer contact met Alfred Bastien, Achiel Van Sassenbroeck, Médard Maertens en Anne-Pierre de Kat. Na de oorlog hervat Verdegem zijn studies aan de Gentse Academie waar hij les krijgt van Jean Delvin. Het jaar erop installeert hij een ateliertje in het Pand. 1922 lijkt voor Verdegem het jaar van de doorbraak te zijn. Hij neemt deel aan tentoonstellingen in Brussel (Galerie L. Manteau), in de Gentse ‘Cercle Artistique’ (samen met o.m. Callewaert) en participeert ook aan de Salons te Gent en Antwerpen ‘Kunst Van Heden’.
Door het succes van die tentoonstellingen ligt voor Jos Verdegem de weg open om ook naar Parijs uit te wijken. Hij zal er tot op het einde van de jaren twintig verblijven. Hij trouwt in 1923 en verhuist naar Nogent-sur-Marne op 15 km van de Lichtstad.
Verdegem blijft wel exposeren in België. Naast zijn deelnames aan de Salons, exposeert hij werken bij ‘Le Centaure’ en bij de Brusselse galerieën G. Giroux en Louis Manteau.
Te Parijs neemt hij deel aan de ‘Salon des Indépendants’ en ‘Salon d’Automne’, twee salons waar de buitenlandse ‘moderne’ schilders steeds welkom waren. Zijn etsen worden er getoond in de galeries van E. De Frenne en van A.G. Fabre.
In 1929 verhuist Verdegem met vrouw en schoonfamilie terug naar Gent. De terugkeer loopt voor Verdegem echter niet zo vlot als verwacht. De kunstenaar vindt geen aansluiting bij de Belgische avant-garde en hoewel hij ook vaak in Brussel en Antwerpen exposeert, komt zijn carrière niet echt van de grond. jos verdegem woonwagens

De jaren dertig waren voor de kunstmarkt wel een zeer moeilijke periode; vele galeries en kunstenaars raakten in financiële problemen.

De meeste avant-garde galeries sluiten de deuren en vele vooruitstrevende kunstenaars beginnen meer traditionele werken te maken, in de hoop opnieuw een koperspubliek te vinden.
Voor Jos Verdegem komt echter een oplossing uit de lucht vallen; in het najaar van 1932 een baan die hem voor de komende jaren financiële onafhankelijkheid zal garanderen: hij wordt benoemd als leraar aan de Gentse Academie.
In 1936 overleed Verdegems vrouw ten gevolge van verwikkelingen bij de bevalling van hun zoontje Liévin.
De kunstenaar hertrouwt in 1937 met een van zijn leerlingen aan de academie, de twintig jaar jongere Elza Vervaene. etsen-van-jos-verdegem
In de jaren 1938-1939 gaat Jos Verdegem zich volledig op zijn etsproductie toeleggen.
Deze periode van intense productiviteit wordt onderbroken door de Tweede Wereldoorlog. Hij vlucht met zijn vrouw naar Limoges waar hij vele tekeningen maakt, die bij de terugkeer naar Gent worden tentoongesteld in Galerie Vyncke-Van Eyck.
Tijdens de oorlogsjaren gaf Verdegem nog steeds les aan de Academie en stelt hij tentoon in eigen land en in Duitsland. Dit feit, gecombineerd met zijn deelname aan de Guldensporenviering te Gent in 1941, resulteert in het verlies van zijn post als docent aan de academie na de oorlog.

 

Voor Verdegem breken zware tijden aan. Zijn financiële vangnet was verdwenen en de kunstenaar ziet zich genoodzaakt om werk te zoeken. Zo begint hij strips te tekenen in feuilletonvorm, om brood op de plank te krijgen. Verdegems huwelijk loopt spaak en de aanbieding voor tentoonstellingen blijven uit.
Pas in 1948 komt de kunstenaar weer naar buiten, met een expositie in de Galerie Vyncke-Van Eyck.
In die naoorlogse periode zou Verdegem een groot deel van zijn vroegere oeuvre herwerken.
Sporadisch krijgt Verdegem nog enkele tentoonstellingen in zijn geboortestad, maar de kunstenaar kan zich moeilijk verzoenen met het naoorlogse artistieke klimaat. De laatste tien jaren van zijn leven exposeert hij bijna niet meer. Op 15 september 1957 overleed de kunstenaar in het Bijloke hospitaal. Verdegem was toen al door de meeste kunstliefhebbers ‘vergeten’.
Door verwikkeligen bij de successie van het werk van de kunstenaar en door het feit dat zijn enige zoon slechts 19 jaar was, duurde het tot de jaren zeventig, eer het werk van de kunstenaar vrijgegeven en door de kunstliefhebber herontdekt en opnieuw tentoongesteld wordt.
Het verschijnen van de Jos Verdegem monografie (met een volledige catalogus van de etsen) in 1977 droeg bij tot de herwaardering van een kunstenaar die op een geheel eigen manier zijn invulling van het Vlaamse expressionisme en post-expressionisme gaf.
Het werk van Jos Verdegem bevindt zich voornamelijk in belangrijke Gentse privé verzamelingen en ook het Gentse Museum voor Schone Kunsten bezit verscheidene werken van de kunstenaar.

di Vito Lola

lola di vito portretLOLA di VITO, leerlinge van de befaamde Georges De Vlamynck draait reeds jaren mee in de wereld van de schilderkunst. Na haar middelbare studies in Hasselt, waar ze opgroeide, volgde ze de lessen aan Académie des Beaux Arts in Luik en vervolmaakte zich in de beeldende kunsten aan het Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen, waar ze Rik Slabbinck als leraar had.
Reeds heel vlug combineerde ze de plastische kunsten met haar andere passie, de muziek.
Als sopraan en later als mezzo-sopraan haalde ze heel wat prijzen aan o.m. het Conservatorium te Brussel.

Lola di Vito is één van de weinige Belgische kunstenaressen die er in slaagde uit te blinken in beide disciplines. Het is geenszins evident carrière te maken als klassieke zangeres en daarenboven te excelleren in de moeilijke wereld van de plastische kunsten.
Lola di Vito slaagde er echter in beide disciplines in goede banen te leiden. Ze kreeg daarbij de onvoorwaardelijke steun van haar moeder, componiste Berthe di Vito – Delvaux. Ook haar echtgenoot, wijlen Maurice De Groote, een befaamde bas van de Munt te Brussel en haar huidige echtgenoot Arthur Metdepenninghen, ere-inspecteur bij het NTG en secretaris-schatbewaarder/archivaris bij het Koninklijk Landjuweel, waren een stimulans in het uitbouwen van een internationale carrière.
Reeds in 1975 was ze een graaggeziene gaste in de Leiestreek en stelde ze o.a. tentoon in De Latemse Brouwerijschuur en het Museum Leon De Smet te Deurle.

Haar geschilderde oeuvre laat zich niet inpakken in een keurslijf van één of ander -isme. Haar werk is uiterst gevoelsmatig en heeft een rijk en gevarieerd kleurenpalet. Nu eens met invloeden van het post-impressionisme en dan weer met een expressionistische inslag, is de schilderkunst van Lola di Vito een veruiterlijking van de diepste gemoedstoestand van een emotieve, fijngevoelige kunstenares. In haar oeuvre weerspiegelt zich de ziel van een vrouw die lééft voor haar kunst en die zowat alle technieken beheerst.
Haar landschappen, havenzichten, bloemstukken en figuren getuigen van haar uitgesproken liefde voor mens en natuur.

Butterfly - Lola di Vito (2)Ook de wereld van de lyriek blijft een rode draad in haar oeuvre.
Die vinden we dan terug in doeken met instrumentisten, werken als Madame Butterfly, La Cantatrice en talrijke andere thema’s, die toch ergens verbonden blijven met haar grote passie voor de muziek.
Lola di Vito bewijst daarenboven een leading lady te zijn in de harde, veeleisende wereld van opera en belcanto. Die gedrevenheid om uit te blinken in haar beide passies resulteert in een constante wisselwerking tussen beide disciplines. Naast concerten met haar trouwe pianiste Raya Birguer trad ze ook vaak op met André De Groote en nam ze eind 1997 een CD op met werk van haar moeder Berthe di Vito – Delvaux met Daniël Blumenthal aan de piano.
Sinds haar verblijf in Sint-Martens-Latem concerteerde ze meer en meer met haar favoriete pianiste Sabrina Romano.
Lola di Vito leeft voor de kunst. Ze is als het ware het symbool voor de expressionistische lyriek, zowel in de beeldende kunst als op het concertpodium.
Ze heeft nu haar atelier en woont zeBrussel maar de band met Sint-Martens-Latem bleef. Ze vertegenwoordigt de gemeente bij de vereniging voor kunstdorpen en –steden, ‘EuroArt’ en zetelt in de Gemeentelijke Raad voor Cultuur van het kunstenaarsdorp.