Categorie archief: Kunst en cultuur

Bescherming van kunstenaarswoningen

schildershuisje250Deurle en Latem, pittoreske dorpen aan de Leie, hebben hun faam in grote mate te danken aan een, al dan niet, toevallige concentratie van florissante artistieke activiteiten tussen 1890 en 1935. Schilders, beeldhouwers, schrijvers en dichters vonden hier een toevlucht en een gezegende inspiratie. Op die manier kreeg Sint-Martens-Latem kleur op de internationale artistieke landkaart.
De meeste kunstwerken en manuscripten werden in de loop der jaren her en der verspreid, maar de landschappen, woningen en ateliers bleven tot voor kort landmerken en aantrekkingspunten voor kunstliefhebbers en toevallige passanten.

Het cultuurhistorisch belang van dergelijke herkenpunten en sites moeten we blijven koesteren. Gelukkig acht de gemeente en haar bestuurders het tot plicht deze laatste getuigen van een zeldzaam rijk cultuurverleden te koesteren, te bewaren en door te geven aan de komende generaties.
Vele atelierwoningen zijn verdwenen door onachtzaamheid en/of niet-bescherming. Ereburgemeester Raf Van den Abeele mag gerust zijn, het atelier (Van de Woestijne) welke hieronder door hem beschreven wordt was niet meer te redden, maar voor de woningen van Binus Van den Abeele (Latemstraat 12), Albert Servaes (Torenhuis, Baarle-Frankrijkstraat 10), George Minne (Kortrijksesteenweg 62), Xavier De Cock (Oud-gemeentehuis Deurle), Gust De Smet (Gemeentelijk Museum, Deurle) en Leon De Smet (Koperstraat 20) wordt de procedure gestart.

Extract uit nieuwsbrief “Latemse Kunstkring” (pdf-document).

Advertenties

De Latemse musea

Sint-Martens-Latem, gezegend oord van de Vlaamse kunst, zoals Paul Haesaert het kunstenaarsdorp in zijn standaardwerk over de kunst omschreef, streefde sinds een een halve eeuw om het oeuvre van zijn verdienstelijke kunstenaars in een museum te kunnen onderbrengen.
Er mochten dan ook heel wat kunstenaars in het Leiedorp gewoond en gewerkt hebben een heus museum was er niet.
Deze lacune werd pas in 1959 opgevangen door de Latemse Artiestenzolder in het thans verdwenen gemeentehuis, waar een klein deel van het gemeentelijk kunstpatrimonium was ondergebracht.

Reeds in 1924 hadden gemeentesecretaris Hugo Van den Abeele en zijn vriend, kunstcriticus Georges Chabot, het initiatief genomen de werken van de befaamde Latemse School in eigen gemeente tentoon te stellen. Als locatie kozen ze daarvoor het eerder bescheiden atelier aan de Latemstraat 16 waar Gustave Van de Woestijne en Alfons Dessenis hadden gewerkt. Hun ijver om de Latemse kunst te promoten haalde toen zelfs de internationale pers en moet ergens de oorsprong geweest zijn van de – onterechte – naamgeving Latemse School.
Dit initiatief zou diezelfde Hugo Van den Abeele en Julius De Praetere in 1926 op het idee brengen om in de Meersstraat, aan de oever van de Leie, een museumgebouw te laten optrekken.
Jammer genoeg was hun project omwille van het overstromingsgevaar, maar ook financieel, niet haalbaar en moest de gemeente op haar honger blijven.
Sint-Martens-Latem kreeg dan met de fusie der gemeenten, toen Deurle erbij kwam, opeens drie musea in de schoot geworpen: het Museum Gust De Smet, het Museum Leon De Smet en het Museum Dhondt-Dhaenens.
Pas in 1992 was er uitzicht op een museum op “Latemse grond”, toen besliste het gemeentebestuur immers het Domein Gevaert-Minne aan te kopen en het woonhuis-atelier om te bouwen tot een gemeentelijk museum.

museumGDSHet Museum Gust De Smet aan de Museumlaan 1, kwam er in 1950 toen het toenmalig gemeentebestuur van Deurle besloot de woning van Gust De Smet, met de resterende inboedel en schilderijen, voor het publiek open te stellen. De schilder had er gewoond en gewerkt van 1935 tot aan zijn dood in 1943. De catalogus, van de hand van Piet Boyens, vermeldt een honderdtal werken, waarvan uiteraard slechts een selectie wordt tentoongesteld. De vroegste werken dateren uit zijn Nederlandse periode, toen hij het impressionisme reeds de rug toegekeerd had en zich voluit op expressionisme had gestort.

De woning was een legaat van de kunstenaar aan Deurle, maar dan wel onder de voorwaarde dat de woning als openbaar museum zou worden ingericht. Na de dood van zijn vrouw Gusta, in 1948, worden huis en inboedel aan de gemeente overgemaakt. De gemeenteraad van Deurle aarzelt in eerste instantie om het legaat te aanvaarden. Het gebouw werd toen geschat op 150.000 frank en de inboedel – de honderd kunstwerken incluis – op 213.000 frank. Die twijfel kwam er omdat het woonhuis met goedkope middelen gebouwd was en dat het inrichten van een museum een bijkomende personeelskost betekende voor de gemeentekas, daarbij, argumenteerde men, …wie heeft nu belangstelling voor al die schilderijen? Niemand kon toen maar ook vermoeden welke astronomische waarde die kunstwerken vijftig jaar later zouden hebben.

Dankzij de overredingskracht van gemeentesecretaris Urbain Van den Heede en zijn Latemse collega Hugo Van den Abeele werd het legaat uiteindelijk toch aangenomen.
In 1990 werd het museum gerenoveerd en de duizenden bezoekers worden er wegwijs gemaakt door conciërge Astère Verhegghe, die als jongeling de kunstenaar van nabij gekend heeft en heel wat sappige anekdotes heeft uit die periode.

Museum Leon De Smet ligt, om het in Deurlese termen te zeggen, op een boogscheut van het Museum Gust De Smet. Dit mooie gebouw is niet zozeer een museum, maar eerder één van de acht kunstgalerijen die Sint-Martens-Latem rijk is. Een aparte vleugel is echter voorbehouden aan documentatie over en werken van Leon De Smet.

Kunstschilder Leon De Smet was zich in 1926 te Deurle komen vestigen in de tuin van het voormalige hotel-restaurant Le Rally Saint-Christophe, in een witgeschilderd houten tuinhuis, dat hijzelf had opgeknapt tot atelier en leefruimte. Kunstcriticus Paul Haesaert liet in 1928 naast het optrekje van Leon De Smet een bungalow bouwen om er in alle rust te werken aan zijn standaardwerk “Flandre”. Toen Haesaerts in 1930 Deurle verliet, kocht Leon de bungalow en bleef er wonen en schilderen tot aan zijn dood in 1966.
Zijn levensgezellin, Jeanne Baekelandt, stelde het huis open voor bezoekers en noemde het Museum Leon De Smet. Kort daarop werd de Rally Saint-Christophe verkocht en moest ook het “museum” verdwijnen. Jeanne Baeckelandt liet dan een honderdtal meters verder een nieuwe, moderne bungalow bouwen aan de Museumlaan 18. Het uiteindelijke museum werd plechtig opengesteld op 19 december 1969. Sinds 1990 is het gebouw eigendom van Raf en Koen Lingier, die de traditie van het Museum Leon De Smet in ere houden en een vleugel gebruiken als tentoonstellingsruimte voor hedendaagse kunstenaars.

In de “achtertuin” van de huidige Residentie Sint-Kristoffel staat zowat het belangrijkste museum dat het kunstenaarsdorp rijk is, De Stichting Mevrouw Jules Dhondt-Dhaenens.

museumDDHet museum DHONDT DHAENENS, nu MDD, werd gebouwd in 1967-68 in opdracht van Jules Dhondt en van zijn echtgenote Irma Dhaenens. Jules Dhondt was een succesvol Gents zakenman die zich in 1938 in de Pontstraat kwam vestigen. Hij had veel contacten in de kunstwereld en bouwde een mooie verzameling op.

Door zijn felle Vlaamse overtuiging kocht hij voornamelijk kunst uit eigen streek, maar toch treffen we in zijn collectie ook werk van o.a. Constant Meunier, James Ensor, Eugène Laermans en Jacob Smits. Zijn hart ging echter voornamelijk naar de plaatselijke artiesten. Hij verzamelde werk van George Minne, Albert Servaes, de gebroeders De Smet, Gustave Van de Woestijne, Frits Van den Berghe en Jenny Montigny. Ook Jan Burssens en Henri Wolvens konden hem bekoren.
Gezien het echtpaar hun enige zoon hadden verloren, was er geen rechtstreekse erfgenaam meer. Om de verspreiding van de verzameling te voorkomen overwoog Jules Dhondt het bouwen van een museum waar zijn kunstwerken permanent zouden tentoongesteld worden en dat publiek toegankelijk zou zijn. Daartoe stichtte hij een instelling van openbaar nut. Het gebouw, een concept van architect Erik Van Biervliet, en werd op 30 november 1968 plechtig geopend. Jules Dhondt was de eerste voorzitter van de beheerraad. Bij de openstelling vertegenwoordigden de 122 schilderijen en 18 beelden van 47 verschillende kunstenaars een waarde van 30 miljoen frank.
Een selectie daaruit wordt thans af en toe tentoongesteld. In de tweede zaal en de hal wordt vooral aandacht besteed aan de hedendaagse, moderne en conceptuele kunst.
Een beheerswissel zorgde voor een nieuwe “look” en een nieuwe curator, onder wiens beleid de stichting moet uitgroeien tot één der belangrijkste centra voor het kunstgebeuren in Vlaanderen, met zowel oog voor de plastische kunst, de lyrische kunst en als voor de muziek en het concertgebeuren.

Het Gemeentelijk Museum Gevaert-Minne aan de Kapitteldreef 45 kwam er in zijn oorspronkelijke staat in 1922-1925, toen Edgar Gevaert er zijn domein verwierf. gevaert minneOorspronkelijk was het 9 hectare groot. Het is gesplitst door de Kapitteldreef en zal later uitgroeien tot een prachtig stukje natuurgebied van 25 hectare.
Het was Edgar Gevaert zelf die de plannen tekende en zich daarbij liet inspireren door zijn voorouderlijke hofstede, de 16de eeuwse hoeve “Ter Mere” in Mater.
In het boek “De Leie” van Armand Vermeulen, eredirecteur-generaal van AROHM, lezen we:
In 1934 bouwt Gevaert, naar de ideeën van de socialistische politicus Hendrik De Man, een tweede atelier in kubusvorm. Toen de familie, na het oorlogsgeweld, terugkwam uit Frankrijk, werden de vernielde serres vervangen door twee kubusvormige ruimtes.
Tot het huidige museum behoren nu ook de vroegere werkkamer van Edgar Gevaert, nu Zaal Minne; een vierkante eetruimte van de familie, Zaal Gevaert en de latere dubbele aanbouw aan de zuidwestgevel, nu Zaal Latemse Schilders en vroegere Zaal Kruisweg.
Het Gemeentelijk Museum Gevaert-Minne heeft thans nog een totale oppervlakte, bebouwd en onbebouwd, van 3 hectare. Het museum werd aangekocht zonder enige subsidie van overheidswege en volledig met eigen middelen en eigen personeel gerenoveerd. Het bevat naast de werken van George Minne en Edgar Gevaert, een ruime waaier werken van de voornaamste Latemse kunstenaars. Kunsthistorica Freya Malfait, tevens voorzitter van De Latemse Kunstkring zorgde voor een gedocumenteerde cataloog. Onder impuls van cultuurfunctionaris Piet Boyens en het gemeentebestuur realiseerde het architectenbureau Berteloot de plannen voor renovatie van het museum.
Het vroegere koninginnestuk, ‘De geschilderde Kruisweg’ van Albert Servaes, werd in 2005 ondergebracht in de crypte van het gemeentehuis, waar hij beter tot zijn recht komt en meer uitstraling heeft.
De vrijgekomen zaal in Gevaert-Minne werd verbouwd worden tot ‘Zaal Ir. De Smet’, eerste ereburger van Sint-Martens-Latem en schenker van een legaat

.Het Gemeentelijk Museum Gevaert-Minne ligt op een schitterend domein aan de Edgar Gevaertdreef in Sint-Martens-Latem. De collectie omvat een 40-tal meesterwerken uit de grote artistieke periode van Sint-Martens-Latem. Naast de beelden en tekeningen van George Minne kan de bezoeker er thans het werk bewonderen van Xavier de Cock, Servaes, Gustave van de Woestyne, De Saedeleer, Frits van den Berghe, Gustave en Leon de Smet, Permeke, Saverys e.a. Er is een volledige zaal gewijd aan werken van Edgar Gevaert zelf.
Gratis toegang.
Ingang via de Edgar Gevaertdreef. (Postadres = Kapitteldreef 45)

Praktische Informatie:
Plaats: Edgar Gevaertdreef,  9830 Sint-Martens-Latem
Tel: 09 282 17 00
e-mail: cultuur.onthaal@sint-martens-latem.be
website: http://www.sint-martens-latem.be
Openingsuren : Van april t.e.m. september van woensdag tot zondag tussen 14u en 18u. Van oktober t.e.m. maart van woensdag tot zondag tussen 14u en 17u.

bronnen:
Gemeentelijk Archief en Documentatiecentrum, Gemeentelijke bibliotheek, Gemeentelijke Culturele Dienst & diverse gemeentelijke publicaties.

Wat met de Kunst in Latem en Deurle?

In 1992 verscheen van journalist-publicist, Albert-Fernand HAELEMEERSCH, een vulgariserend kunstboek “Verknocht aan het Land in de Leiebocht”. Het werkstuk bevatte het Latemse kunstleven tussen 1890 en 1990 en had zowel oog voor de vermaarde Latemse Groepen als voor hun “erfgenamen”.

Het boek werd met gemengde gevoelens onthaald. Niet zo verwonderlijk, want ook Dr. Piet BOYENS kondigde toen de opvolger aan van het standaardwerk over Sint-Martens-Latem, na Paul HAESAERTS een nieuw licht op de Latemse kunst…

“Verknocht aan het Land in de Leiebocht” kende echter een groot succes. Dit was te danken aan de eenvoudige, journalistieke benadering van het fenomeen Sint-Martens-Latem en zijn kunstenaars en vooral het feit dat talrijke levende kunstenaars toegelicht werden.

Gezien de grote vraag naar het hoe en wat van de hedendaagse kunst in Sint-Martens-Latem kwam de Vereniging Latemse Kunstenaars op het idee om Albert-F. HAELEMEERSCH aan te zoeken een selectie te maken van kunstenaars die vandaag toonaangevend zijn voor de beide Leiedorpen en er een representatief kunstboek aan te wijden.

Een ondankbare taak en een grote verantwoordelijkheid voor een auteur, want altijd zal er wel een artiest zijn die zich vergeten voelt. Toch vond hij het zijn goed recht om zelf een selectie te maken en deze dan ook te verantwoorden.

Aan de verdiensten van artiesten als Marcel Maeyer, Piet Bekaert, Jef Wauters, Léa Vanderstraeten, Norma De Vos, Fons Roggeman, Edward De Clercq, Valeer Verbeken en Greta Cartreul kan men zo maar niet voorbijgaan. Ze worden dan ook, zij het kort, besproken en geïllustreerd in het boek.

Verder wordt uitvoeriger aandacht besteed aan M. Werner, Raf Van Cauwenberghe en Octaaf Meiresonne, die toch mee aan de basis lagen van de Latemse Teken- en Schilderschool, waar heel wat hedendaagse kunstenaars zich vervolmaakten.

De auteur heeft ook aandacht voor de historiek van de Latemse Kunstkring, het ontstaan van de Latemse Teken- en Schilderschool, de musea en het galerijleven. De dichters, musici en lyrische kunstenaars sluiten het overzicht van de hedendaagse kunstenaars in Latem en Deurle af.

Verantwoording

Na het onverwacht succes van het boek “Verknocht aan het Land in de Leiebocht” werd mij herhaaldelijk gevraagd een boek te schrijven over wat vandaag, op kunstgebied, in Latem en Deurle gepresteerd wordt, de naam Latem, Kunstenaarsdorp waardig.

Geen makkelijke opgave, als je het mij – als kunstrecensent én gevoelsmens – vraagt.

Wie zich daar aan waagt moet de vraag “wat is kunst?” op een plausibele manier kunnen beantwoorden. Wie ben ik om over kunst te oordelen? Zelf eminenties als Frans Boenders, Ernest Van Buynder, Marcel van Jole en de Vlaamse paus van de hedendaagse kunst, Jan Hoet, kunnen daar geen sluitend antwoord op geven, precies omdat kunstbeleving uiterst subjectief is.

Het kunstgebeuren in Latem en Deurle bloeit als nooit tevoren. Er zijn niet minder dan 114 inwoners die zich in één of andere kunstvorm, gaande van muziek, lyriek en poëzie, over toneel naar beeldende kunsten, willen uiten en daar in min- of meerdere mate ook in slagen.

Ik ga, als recensent, van het feit uit dat iedere vogel zingt zoals hij gebekt is. Niet alles wat voorgeschoteld wordt is kunst met “K”, maar de poging om daartoe bij te dragen is méér dan lovenswaardig.

De discussie over wat esthetisch verantwoord is, laat ik wijselijk in het midden.

Wel moet ik vaststellen dat de kunstenaars zélf heel makkelijk kritiek spuien over collegae en hun vaak onkunde of amateurisme verwijten. Dit fenomeen geldt zowat overal waar artistieke bedrijvigheid heerst. Kunstbeoefenaars kunnen hard zijn voor mekaar en nochtans is kunst de aller individueelste expressie van de aller individueelste emotie.

Deze misvatting over kunst ligt aan het feit dat de meeste denken dat een academische opleiding garant staat voor artisticiteit. Nochtans is het meestal zo dat artiesten die dat keurslijf van zich kunnen afschudden, die academische opleiding zonder enige schroom naast zich kunnen neerleggen en iets meer van zichzelf in hun werk leggen, méér dimensie geven aan hun oeuvre. Zij scheppen een totaal eigen wereld. Academisch geschoold zijn is niet altijd een waarborg om het waar te maken in een heel aparte wereld als die van de kunst, maar het kan een stevige basis zijn om door het aanwenden van een eigen ideeëngoed een vaste stek te veroveren op de hedendaagse kunstscene.

Precies het protectionisme en het blijven vasthouden aan de traditie van de zogenaamde Latemse School is een rem op de uitstraling en overbrenging van de hedendaagse kunst in Sint-Martens-Latem.

Het is nu eenmaal een feit dat de meeste hedendaagse kunstenaars – waar ook ter wereld – vandaag de dag niet aan hun trekken komen, maar vergeet niet dat Van de Woestyne, De Smet, Permeke, de Saedeleer en hun kompanen, tijdens hun actieve loopbaan ook die waardering niet hadden, die ze vandaag wel hebben. Toen was het werkelijk l’art pour lard. Hun kunstwerken werden – soms met tegenzin van de boer – geruild tegen spek, brood of eieren… Deze loutere, nuchtere vaststelling wordt door veel hedendaagse kunstenaars opzij geschoven.

Galerijhouders en kunsthandelaars houden zich vooral aan ronkende namen en hebben noch de moed, noch het kapitaal om te investeren in een naam die het nog moet maken. Ook de verzamelaar kreeg een andere visie. Meestal telt hij liever wat meer geld neer voor een minder werk van een grote signatuur, dan diezelfde som te spenderen aan het -misschien mooier ogend – oeuvre van een onbekende, nog niet gequoteerde artiest.

Wie er nu ongelijk heeft zal de tijd moeten uitwijzen.

Anderzijds is het ook zo dat vele van onze hedendaagse, regionale kunstenaars geen respect kunnen opbrengen voor het oeuvre van o.m. Jean-Michel Basquiat, Sam Francis, Karel Appel, Paul Klee, Cy Twombly, James Brown en, dichter bij ons, Jan Fabre, Panamarenko, Guillaume Bijl en Wim Delvoye of er zelfs nog nooit over gehoord hebben.

De meeste schilders uit de Leiestreek vinden het opportuun te blijven teren op de faam van hun voorgangers en steevast de figuratieve, neo-impressionistische of realistische weg te blijven bewandelen. Misschien hun goed recht, maar waar ligt het verschil tussen het professionalisme en het amateurisme? Zelfs een ongeoefend oog zal niet de minste moeite hebben om de kunstenaar met bagage te onderscheiden van de hobbyschilder, maar heeft die amateur daarom minder verdienste? Nee, maar die amateur moet dan wel de kritiek kunnen aanvaarden. Kunstenaar worden gaat niet van vandaag op morgen. Je moet je steeds weer bewijzen en streven naar maturiteit, zowel in techniek als thematiek. Kom naar buiten met je werk als je denkt daar klaar voor te zijn, maar wees in de eerste plaats héél kritisch voor jezelf en laat de anderen ongemoeid. Zelfkritiek siert de kunstenaar, maar dat hebben velen nog niet begrepen…

Toch neem ik het risico om met een selectie hedendaagse, plaatselijke kunstenaars, het kunstenaarsleven in Latem en Deurle op een eerlijke manier te schetsen.

Sint-Martens-Latem, lente 1998.

Albert-F. Haelemeersch

uit “Latemse Kunstenaars, de 5de generatie”