Tagarchief: Rotella

Rotella Mimmo

mimmostudioVan ‘décollage’ tot ‘Nuove Icone’ en verder…

Mimmo Rotella, zoon van een modeontwerper, werd geboren in de Zuid-Italiaanse stad Catanzaro op zeven oktober 1918. Hij doorloopt er de lagere en de middelbare school en trekt daarna naar Napels om er kunstonderwijs te volgen. Wanneer hij in 1941 een functie krijgt op het Ministerie van Post en Telecommunicatie verhuist hij naar Rome. Ook de hoofdstad kan hem echter niet lang vasthouden: Mimmo Rotella wordt opgeroepen voor het leger en begint in het stadje Nocera aan zijn officiersopleiding. Van hieruit gaat het naar de School voor Onderofficieren in Caserta (Campania). In 1944 verlaat hij de krijgsmacht en behaalt hij zijn diploma aan de Kunstacademie van Napels. Van 1944 tot 1945 doceert hij in deze stad tekenkunst aan het Instituut voor Landmeters. Daarna trekt Rotella weer naar Rome. Na zijn eerste, figuratieve stappen en experimenten werkt hij een totaal eigen beeldvorming uit op basis van een neo-geometrische matrix. Zijn deelname aan de ‘Mostra Sindacale di Arti Figurative’ in 1947 is meteen ook Rotella’s eerste expositie. Tot 1951 tekent hij ook present voor de jaarlijkse Art Club-exposities in Rome en Turijn.

rotellaEen van de pijlers in het oeuvre van Mimmo Rotella is de fonetische poëzie, zijn alternatieve expressievorm uit 1949. Gevraagd naar een omschrijving, bedacht de kunstenaar het woord ‘epistaltisch’, een neologisme zonder betekenis: de fonetische poëzie is een verzameling – eveneens verzonnen – woorden, fluitgeluiden, klanken en ‘onomatopoëtische’ herhalingen. Tijdens datzelfde jaar 1949 schrijft Rotella ook het ‘Manifesto della poesia epistaltica’, dat in 1955 zal gepubliceerd worden door Leonardo Sinisgalli in ‘Civiltà delle Macchine’.
In de Galleria Chiurazzi in Rome vindt in 1951 een belangrijke gebeurtenis plaats: Rotella’s eerste solo-expositie, met abstract-geometrische werken. De expositie wordt met gemengde gevoelens onthaald en krijgt het soms hard te verduren van de kunstcritici, maar die kritiek brengt een obstinate, inventieve kunstenaar als Rotella allerminst van slag.
1951 is ook het jaar waarin hij voor het eerst in contact komt met Franse kunstenaars, meer bepaald tijdens het Parijse ‘Salon des Nouveaux Réalistes’. Voor de periode 1951-1952 wordt hem door de Fullbright Foundation een beurs toegekend die hem de kans geeft als ‘Artist in Residence’ aan de Amerikaanse University of Kansas City te verblijven. Hij maakt er onder meer een grote muurschildering in de leeszaal van het universiteitsgebouw, neemt er ook een aantal fonetische gedichten op, begeleid door percussie-instrumenten en houdt een performance met zijn fonetische poëzie aan de Harvard University in Boston, waar hij ook andere stukken opneemt voor de Library of Congress in Washington.

Tijdens 1952 exposeert hij ook in de Rockhill Nelson Gallery in Kansas City, zijn tweede individuele tentoonstelling. Het verblijf in de Verenigde Staten brengt echter meer teweeg; hij maakt er kennis met de protagonisten van de nieuwe kunststromingen: Robert Rauschenberg, Claus Oldenburg, Cy Twombly, Jackson Pollock en Franz Kline.

Bij zijn terugkeer naar Rome in 1953 maakt Mimmo Rotella een langdurige crisis door en valt zijn artistieke productie helemaal stil. Een tijd lang is hij ervan overtuigd dat alles al eens gedaan of gemaakt is, tot wanneer hij, zoals hij het zelf omschrijft, een moment van ‘Zen-verlichting’ ervaart: Hij ontdekt kortweg de artistieke uitdrukkingskracht van de affiche als boodschap van de stad. Hier ligt ook het begin van de décollage – en eerst de collage: stukken op straat losgetrokken affiches die hij op doek lijmt. Rotella neemt de collage van de kubisten over en ‘besmet’ die met het objet trouvé, de heiligschennende fetisj van de dadaïsten.
In 1954 laat hij ons in Rome voor het eerst kennismaken met de ‘gescheurde affiche’ op een expositie die de naam ‘Sei Pittori sul Tevere’ draagt.

Rotella is ook de bedenker van de ‘double décollage’, waarbij de affiche eerst van de muur wordt gehaald en dan later in het atelier wordt verscheurd. Tijdens deze periode maakt hij ook gebruik van de achterzijde van de affiches, waardoor hij een resultaat creëert als van niet-figuratieve werken en monochromen.
De erkenning voor zijn werk begint in 1956, wanneer hij de ‘Graziano Award’ krijgt, gevolgd door de ‘Battistoni e della Pubblica Istruzione Award’ in 1957. Met de Cinecittà-serie begint hij in 1958 ook de lichamen en gezichten van filmaffiches in zijn werken op te nemen, waardoor zijn oeuvre een nieuwe, meer figuratieve kant opgaat.

De door de critici op het einde van de jaren 1950 als exponent van de ‘giovani artisti romani’ (jonge Romeinse kunstenaars) erkende Rotella, krijgt het etiket ‘affichescheurder’ en ‘schilder van gelijmd papier’opgeplakt. ’s Nachts trekt hij, gewapend met een zakmes, door de straten van Rome en maakt hij niet enkel affiches los, maar ook stukken staal en zink van de onderliggende frames. In 1958 wordt Rotella in Rome opgezocht door de Franse kunstcriticus Pierre Restany. Deze ontmoeting is het begin van een lange vriendschap. Dat jaar neemt hij ook deel aan de Romeinse expositie ‘Nuove tendenze dell’arte italiana’, georganiseerd door Lionello Venturi in de hoofdzetel van de Rome-New York Art Foundation. In 1959 verschijnt een van zijn werken ook in het bijzonder invloedrijke tijdschrift Azimuth, dat was opgericht in Milaan door Enrico Castellani en Piero Manzoni.

De nieuwsgierigheid van het publiek naar de extravagante bohémienlevensstijl van de kunstenaar wordt in 1960 gelest met de kortfilm van Enzo Nasso over de ‘Pittori arrabbiati’ (boze schilders). Rotella zelf staat in voor het commentaar in de film.

In 1960 sluit Mimmo Rotella zich aan bij de strekking van de ‘Nieuwe Realisten’, zonder echter hun manifest te ondertekenen. De stroming was het geesteskind van Pierre Restany en groepeerde belangrijke namen als Yves Klein, Jean Tinguely, César, Daniel Spoerri, Arman, Niki de Saint Phalle en Christo. De groep omvatte ook de Franse kunstenaars Hains, Villeglé en Dufrêne, die eveneens met collages en décollages werkten, maar op hun eigen manier.
In zijn isolement was Rotella ver voor op zijn Franse collega’s, die hun werk pas in 1957 in de Parijse Galerie Colette Allendy voor het eerst geëxposeerd zagen. Het werk van Mimmo Rotella staat aan het begin van een tijd waarin de mediacultuur een steeds belangrijkere rol gaat spelen in een samenleving die steeds vluchtiger wordt. Dit maakt dat zijn kunst een zeer precies historisch moment vertegenwoordigt. Zijn schreeuwende kleuren geven de kijker stof tot nadenken over de realiteit van een door de media overspoelde stadscultuur en brengen het publiek, door de poëtische lading die hij erin aanbrengt, tot een overpeinzing hiervan. De strijdvaardigheid en innovatie waarmee Mimmo Rotella het begin van het mediatijdperk inluidt, maakt hem tot één van de belangrijkste Europese kunstenaars van deze tijd.
Samen met zijn décollages maakt Rotella ook composities met objecten die hij koopt van rommelleurders: kroonkurken, flesdoppen, eindjes touw en garen, enz.

Rotella’s beeldvorming wordt sterk beïnvloed door de Amerikaanse pop-art, het abstracte expressionisme, en het Spazialismo en de art-informel waar Lucio Fontana en Alberto Burri op dat ogenblik in Italië mee bezig zijn. In 1960 ontmoet hij in Rome Willem De Kooning en Mark Rothko.
In 1961 neemt Rotella deel aan de historische Parijse expositie ‘A 40° au-dessus de Dada’, onder leiding van Pierre Restany. In 1962 spreekt hij over zijn eigen artistieke bezigheden aan de School of Visual Arts in New York. In 1964 wordt hij uitgenodigd om deel te nemen aan de Biënnale van Venetië.

Terwijl de pers het in toenemende mate heeft over het fenomeen Affichisme, verhuist Rotella naar Parijs, waar hij een procedure uitwerkt voor serieproductie door de projectie van negatiefbeelden op lichtgevoelig doek. Hij geeft het proces eerst de naam ‘Reportage’ en bedenkt in 1965, samen met kunstcriticus Otto Hahn en schilder Alain Jaquet de naam ‘mec-art’.
Met behulp van typografische producten creëert hij tussen 1967 en 1973 zijn Art-typowerken, waarbij hij proefdrukken kiest en die reproduceert op doek. Met deze procedure amuseert hij zich door reclamebeelden over en door elkaar te plaatsen. “Ik heb mijn vroegere werkwijze omgedraaid: eerst was ik erop uit om die materie, die werkelijkheid uiteen te halen, en nu voeg ik ze weer samen”, was zijn laconieke omschrijving van dit nieuwe fenomeen.

In het begin van de jaren 1970 maakt Rotella ook een aantal werken waarbij hij oplosmiddelen rechtstreeks laat inwerken op advertentiepagina’s in tijdschriften, waardoor er slechts een afdruk (frottage) of helemaal niets meer (effaçage) overblijft. Twee jaar later, in 1972, publiceert hij een gewaagde autobiografie met als titel ‘Autorotella’.
Zijn ‘Plastiformen’ zien het daglicht in 1975: hij hecht gescheurde affiches vast op een polyurethaan draagvlak, waardoor het geheel een driedimensionale indruk verkrijgt.
Tijdens datzelfde jaar neemt hij ook zijn eerste Italiaanse LP op met fonetische poëzie en met een inleiding van Alfredo Todisco, wat hem in 1976 naar het eerste ‘Festival International de Poésie sonore/Poésie action’ leidt in het Atelier Annick Le Moine. Een ander experiment uit deze periode is het oprollen van affiches om ze vervolgens in plexiglazen kubussen te presenteren.

Nadat Rotella in 1980 Parijs verlaten heeft voor Milaan, werkt hij in de daaropvolgende jaren aan zijn ‘Blanks’: reclameaffiches bedekt met witte stroken papier – zoals dat het geval is met affiches die vervangen worden of waarvan de huur van het reclamepaneel is verlopen – na een conceptuele operatie. In 1984 werkt hij weer met penseel en acrylkleuren voor zijn tweede cyclus van aan de film gewijde werken: ‘Cinecittà 2’.
In 1986 brengt hij een bezoek aan Cuba, en stelt hij tentoon in de Universiteit van Havana. Tijdens zijn verblijf brengt hij ook een performance: het verscheuren van affiches op een marktplein van de stad. Ook houdt hij tijdens dat jaar een aantal lezingen aan de Domus-academie in Milaan.
Het is dan dat Mimmo zijn sovrapitture (overschilderingen) creëert, geïnspireerd door het toenmalige thema van de graffiti, en waarbij hij schildert op gescheurde, op doek gelijmde reclameaffiches en vanaf 1987 ook op gescheurde affiches op metalen dragers. Hij tekent anonieme boodschappen, zoals je die ook kan vinden op muren in de steden: tekens, liefdesboodschappen of (anti-)politieke slagzinnen met een dubbele betekenis.

In 1990 neemt Rotella deel aan de ‘Art et Pub-expositie’ in het Centre Pompidou in Parijs en aan de ‘High and Low-expositie’ in het New Yorkse Museum of Modern Art.

In 1991 huwt hij de jonge Russische economiste Inna Agarounova, die hem in 1993 een dochtertje schenkt, Asya.
In 1992 krijgt hij de eretitel ‘Officiel des arts et des Lettres’ uit handen van de Franse Minister van Cultuur, Jack Lang.
In 1994 wordt Rotella uitgenodigd om deel te nemen aan ‘Italian Metamorphosis’ in het Guggenheim Museum in New York. In 1996 neemt hij deel aan ‘Face à l’Histoire’ in het Centre Pompidou en aan de expositie ‘Halls of Mirrors’ in het Museum of Contemporary Art in Los Angeles, een tentoonstelling die later de wereld zal rondtrekken, en ook in Rome te zien is.
1996 is ook het jaar waarin de vernissage van een individuele expositie on line te volgen is op het internet, de allereerste keer dat in Italië zoiets gebeurt.

In 1997 draagt Rotella een serie werken op aan de films van Frederico Fellini onder de naam ‘Felliniana’.
In 1999 ondertekent Sergio Abramo, de burgemeester van zijn geboortestad Catanzaro, een hoogst merkwaardig gemeentelijk besluit waardoor Rotella officieel de toelating krijgt om in Catanzaro en omgeving affiches af te scheuren. Een late appreciatie?
Tijdens de 49ste Biënnale van Venetië wordt hij uitgenodigd in het kader van zijn historisch belang in de ontwikkeling van de hedendaagse kunst. De op film geïnspireerde werken van Mimmo Rotella laten goed zien dat investeren in kunst hetzelfde is als investeren in energie, of zoals de kunstenaar het zelf verwoordt: “Talent is niets zonder creatief taalgebruik.”
In 2002 ontplooide een tomeloze, 84-jarige ‘zoeker’ een nieuwe cyclus, waarvoor zijn goede vriend en mentor, wijlen Pierre Restany, de naam ‘Nuove Icone’ bedacht.

Vijftig jaar na de ontdekking van de décollage blijft Mimmo Rotella voortdurend op zoek gaan naar nieuwe uitdagingen, de betekenis van ‘kunst’ en de essentie van schilderen. Bij ‘Nieuwe Iconen’ maakt hij, soms met zelfspot en met een ironische, relativerende glimlach, een retro-analyse van een rijk gevulde carrière. Met een levendige en subtiele creativiteitszin blijft Mimmo Rotella ook op zijn zesentachtigste nog actief en productief, en experimenteert hij verder met zijn métier, steeds op zoek naar die ultieme uitdaging.
Hij overleed in Milaan in 2006.

Advertenties